Tekst gepubliceerd in Le Jeudi (Luxemburg) op 1 juli 2014

De Westerse belegger ziet zich geconfronteerd met een moeilijk te beheren driehoek. Aan de basis van de driehoek vinden we de rente die wellicht nog vrij lang bijzonder laag blijft en risicograadmeters die nu op groen staan. Uit de door de Amerikaanse Federal Reserve bekendgemaakte statistieken blijkt inderdaad dat de financiële spanningen naar een historisch laag peil zijn gedaald, terwijl de Financial Times begin april nog blokletterde dat de kans op een ommekeer van de cyclus volgens het IMF bijzonder klein was geworden. Die twee elementen (laag risico en lage rente) nodigen uit om risico’s te nemen. Aan de top van de driehoek vinden we echter de waarderingen die voor een groot aantal beleggingsklassen duur zijn geworden. Die factor noopt tot voorzichtigheid of zelfs tot een afbouw van de risico’s. Wat te doen in het licht van dit dilemma? Geen risico’s nemen, resulteert nagenoeg zeker in erg zwakke of zelfs negatieve rendementen, rekening houdend met de inflatie en het feit dat je op die manier hoogstwaarschijnlijk goede kansen mist. Maar meer risico’s nemen heeft ook zijn prijs, meer bepaald het gevaar dat je op de blaren moet zitten als de markten op een bepaald moment fors dalen.

Omdat het onmogelijk is om te voorspellen wanneer die ommekeer er komt, moeten beleggers hun prioriteiten stellen in plaats van blind te kiezen voor één beleggingsklasse boven een andere. Een beleggingsstijl kiezen op basis van de eigen economische behoeften vereist discipline: je moet een lijst opstellen van je doelstellingen en één hoofddoel identificeren. Traditioneel zijn er vier behoeften: een regelmatig rendement, kapitaalaanwas, reëel kapitaalbehoud en behoud van groeipotentieel met beperking van het dalingsrisico. Als de prijzen van de financiële activa laag zijn en de officiële rente mogelijk daalt, zijn die doelstellingen niet strijdig: alles stijgt in waarde. Als de koersen echter hoog zijn en t de Amerikaanse beleidsrente in de loop van volgend jaar  stijgt, kunnen er wel conflicten ontstaan. Daarom moeten beleggers hun belangrijkste doelstelling identificeren en hun portefeuille hieraan zo nodig aanpassen. Zo wordt het dalingsrisico aanvaardbaarder als kapitaalaanwas of zelfs een regelmatig inkomen bovenaan de lijst van prioriteiten staat. Als een regelmatig inkomen het hoofddoel is, zijn aandelen met hoog dividendrendement, beursgenoteerde vastgoedondernemingen, hoogrentende obligaties en schuldpapier uit de opkomende markten wellicht de meest geschikte instrumenten. Voor kapitaalaanwas kom je haast vanzelf bij aandelen uit en op basis van de waarderingen meer specifiek bij Europese aandelen en aandelen uit de opkomende landen. Hoogrentende obligaties behoren in dit geval ook tot de mogelijkheden. Voor kapitaalbehoud zijn staatsobligaties van hoge kwaliteit met niet al te lange looptijden een goede keuze, samen met bedrijfspapier met hoge ratings. Om groeipotentieel te behouden en tegelijk de dalingsrisico’s te beperken, kan de keuze vallen op converteerbare obligaties, strategieën en fondsen die op kapitaalbehoud tot aan een bepaalde drempel mikken of bijvoorbeeld op zogeheten ‘absolute return’- of ’total return’-fondsen die de beheerder veel bewegingsruimte geven. Conclusie: de belegger mag dan al op het eerste gezicht voor een onoplosbaar dilemma staan, toch kan het gewoonweg al volstaan om zijn prioriteiten te stellen om met meer kennis van zaken beslissingen te nemen. Dat vormt een goede basis voor een meer gerichte bewaking van de markten en de kansen.

 

William De Vijlder

Vice – Chairman van BNP Paribas Investment Partners