De inflatie wordt meestal geanalyseerd vanuit macro-economisch standpunt, bijvoorbeeld hoe ze zich verhoudt tot de koers van het monetaire beleid, de aanwezigheid van knelpunten op de arbeidsmarkt, enz. Hoe dan ook is de inflatie grotendeels het resultaat van miljoenen beslissingen van huishoudens en bedrijven op het vlak van uitgaven, productie of commerciële strategie. Over het algemeen zullen de beslissingen van individuele huishoudens sterk gecorreleerd zijn – denk aan schommelingen in het consumentenvertrouwen – en dat geldt ook voor bedrijven. Dit rechtvaardigt een macro-economische benadering van inflatie. Maar soms is heterogeniteit een belangrijke factor die leidt tot zeer uiteenlopende prijsontwikkelingen in de verschillende sectoren. Dat is ook wat we recent hebben ervaren. De COVID-19-pandemie veroorzaakte een forse prijsvertraging in de eurozone. Het inflatiepercentage, gemeten aan de hand van de jaarlijkse wijziging van het geharmoniseerde indexcijfer van de consumptieprijzen (GICP), bleef ook in oktober 2020 negatief en dit voor de derde maand op rij (-0,3% jaar op jaar). Exogene gebeurtenissen zoals de tijdelijke verlaging van het Duitse btw-tarief speelden een rol, maar ook de kerninflatie wijst op een zeer milde prijsstijging. De kerninflatie bevond zich in oktober op een historisch dieptepunt van +0,2%, net als in september. Dit zwakke momentum is merkbaar in elk van de vier grote economieën van de eurozone. De door de crisis gegenereerde desinflatoire schok is vooral zichtbaar in bepaalde sectoren die het hardst werden getroffen door sociale afstandsmaatregelen en andere beperkingen. Zoals blijkt uit grafiek 1, zijn in de meeste landen van de eurozone de inflatieverschillen tussen de sectoren dit jaar doorgaans gestegen ten opzichte van de twee voorgaande jaren. Zo zijn de prijzen in de transportsector sinds de zomermaanden sterk gedaald, vooral in Italië (-7,9% in oktober, jaar op jaar) en Frankrijk (-6%). Tegelijkertijd daalden de prijzen voor diensten met betrekking tot ‘toerisme en hotelpakketten’ fors door de drastische lockdownmaatregelen om de verplaatsingen te beperken, met name in Spanje (met ongeveer 8% in de afgelopen vier maanden) waar de economie sterk afhankelijk is van het toerisme. Globaal gezien is de inflatie voor de meeste combinaties land-sector dit jaar zwakker dan in de periode 2018-2019 (grafiek 2). Momenteel woedt er in de lidstaten een tweede golf van de pandemie die – ook al is de intensiteit ervan kleiner dan de eerste maal – de neerwaartse druk op de inflatie in de eurozone zou moeten handhaven. Dit betekent dat de inflatie waarschijnlijk nog verder gaat afwijken van de inflatiedoelstelling van de ECB en daarom wordt verwacht dat de Raad van Bestuur het monetaire beleid op de volgende vergadering van 10 december opnieuw zal versoepelen. Deze zeer accommoderende koers zal nog enkele jaren moeten worden aangehouden. Het zal nog lang duren voordat de activiteit voldoende hersteld is om knelpunten op de arbeidsmarkt te creëren, die – bij gebrek aan exogene schokken – een noodzakelijke voorwaarde zijn voor een breedgedragen en duurzame stijging van de inflatie. We moeten ook de ervaring van 2017 en 2018 voor ogen houden, toen we de piek van de bedrijfscyclus naderden en de transmissie van snellere loongroei naar inflatie beperkt was. Dit suggereert dat we voor de komende jaren een slechts langzaam stijgende inflatietrend mogen verwachten. In de loop van 2021 kan het inflatieherstel tijdelijk wat sneller gaan. De mechanische heropleving in verschillende Europese landen, volgend op de huidige lockdown, zal plaatsvinden tegen de achtergrond van alsmaar frequentere berichten over de inzet van een vaccin. Dit doet de onzekerheid afnemen en zou het vertrouwen moeten opkrikken. Bedrijven waarvan de rentabiliteit bevredigend is gebleven, zullen misschien geneigd zijn om hun investeringen op te voeren, wat op zijn beurt het vertrouwen van de gezinnen in de arbeidsmarktperspectieven zou doen toenemen. In sommige sectoren zou de daaruit voortvloeiende opleving van de vraag, na de lockdownmaatregelen, knelpunten bij de bevoorrading kunnen oplossen. Zodra er gevaccineerd is, kan de inhaalvraag worden ‘ontketend’ – ondersteund door de gedwongen besparingen tijdens de lockdown – want de mensen zullen, afhankelijk van hun financiële situatie, staan popelen om opnieuw op reis te gaan, te gaan uit eten, te gaan winkelen enzovoort. Hier is de micro-economische benadering van inflatie relevant. In een dergelijk klimaat kan de prijselasticiteit van de vraag wel eens afnemen. Mensen verlangen ernaar om geld te kunnen uitgeven, ook al kost het dan een beetje meer, omdat ze dit associëren met de ‘terugkeer naar normaal’. Dat lucht op. Bedrijven kunnen de kans grijpen om hun financiële situatie enigszins te herstellen door hun marges iets op te trekken. Als gevolg daarvan kan de inflatie tijdelijk hoger dan normaal zijn. Uiteraard hangt de omvang af van het gewicht van de sectoren die op deze manier gaan reageren. Het zal ook een tijdelijk fenomeen zijn: het deblokkeren of ontketenen van de inhaalvraag is altijd van tijdelijke aard.

 

Graph 1 Edito FR

Graph Edito 20.43 EN

William De Vijlder en Louis Boisset