De voorlopige raming van de inflatie in de eurozone verraste opwaarts, met een jaarlijkse kerninflatie van 1,4% in januari. De maandelijkse inflatie blijft echter negatief, met -0,5%. Dat kan verklaren waarom de obligatiemarkt niet onder de indruk was. De rendementen van de Duitse tienjaars-obligaties reageerden nauwelijks op het nieuws. Een andere mogelijke reden is dat de beleggers zich er zeer goed van bewust zijn dat de inflatiegegevens door de pandemie veel ruis genereren en dus moeilijker kunnen worden geïnterpreteerd. Verschillende factoren spelen een rol. Ten eerste betekent de lockdown dat voor bepaalde artikelen nieuwe prijsbronnen moeten worden gebruikt. Er kunnen zelfs prijzen ontbreken, omdat winkels, hotels en restaurants gesloten zijn of er geen diensten meer worden aangeboden. Statistisch gezien wordt dit aangepakt door toerekening van de prijswijzigingen die zijn waargenomen voor gelijkaardige producten waarvoor er wel gegevens beschikbaar zijn. In januari worden er prijzen voor 18% van de diensten toegerekend. Toegegeven, dit ligt ver onder het niveau van april vorig jaar, toen 41% van de diensten en 43% van de niet-energetische industriële goederen toegerekende prijzen hadden, maar het blijft wel significant[1]. Ten tweede werden er door veranderingen in de belastingen een aantal basiseffecten gecreëerd. In Duitsland zorgde de tijdelijke verlaging van het btw-tarief eerst voor een daling van de prijzen, maar toen in december deze verlaging niet meer werd toegekend, leidde dit in januari tot een prijsverhoging. Ten derde gaat de sluiting van winkels in bepaalde landen samen met minder korting dan normaal tijdens het koopjesseizoen, wat zich vertaalt in een stijging van de jaarlijkse inflatie. Ten vierde verandert de bestedingsmand van de gezinnen als gevolg van de beperkende maatregelen en het telewerken, wat ook de inflatiedynamiek kan beïnvloeden.[2] Ten slotte kunnen factoren aan de aanbodzijde een tijdelijke stijging van de inflatie veroorzaken. Sectoren die in lockdown zijn geweest, kunnen bij het opheffen van de restricties een sprong in de vraag zien, waardoor er ruimte ontstaat om de prijzen te verhogen als de prijselasticiteit van de vraag laag is. In het algemeen komen er al onevenwichtigheden tussen vraag en aanbod naar voren in de PMI-enquête, wat wijst op stijgende inputprijzen en langere levertijden. Dit toont de vertraagde effecten van verstoringen aan de aanbodzijde, maar ook de plotselinge versnelling van de vraag wanneer de beperkingen worden opgeheven. Het is twijfelachtig of dit zal leiden tot een aanzienlijke stijging van de consumptieprijsinflatie. Uit de PMI-enquêtes blijkt dat de outputprijzen minder zijn toegenomen dan de inputprijzen. Bovendien zou de invloed van deze factoren in de loop van het jaar moeten afnemen, aangezien de producenten de vraag beter kunnen inschatten. Dit zou impliceren dat de meer traditionele inflatiemotoren de bovenhand gaan nemen, zoals de inflatieverwachtingen en dan vooral de economische onderbenutting. Gezien de aanhoudende bezorgdheid over de werkgelegenheidsvooruitzichten en het uitblijven van knelpunten op de arbeidsmarkt zou een blijvende opflakkering van de inflatie een zeer geleidelijk proces moeten zijn.Chart 1 - Edito 21.05 ENChart 2 - Edito 21.05 ENChart 3- Edito 21.05 EN

 

[1] Bron: Eurostat. https://ec.europa.eu/eurostat/web/hicp/publications.

[2] Eurostat heeft een speciale nota geschreven over het bijwerken van de HICP-gewichten: https://ec.europa.eu/eurostat/documents/10186/10693286/Guidance-on-the-compilation-of-HICP-weights-in-case-of-large-changes-in-consumer-expenditures.pdf