De analyse van de economische gevolgen van de COVID-19-pandemie heeft zich tot nu toe voornamelijk gericht op de korte termijn. Dat is begrijpelijk. Ten eerste was er de sterke afname van de activiteit in maart-april door de lockdown. Naarmate in mei-juni de beperkingen geleidelijk werden opgeheven, herstelde de activiteit zich. Vanaf juli boette het herstel aan kracht in, onder meer omdat de afstandsregels behouden bleven als gevolg van de aanwezigheid van het virus en meer recentelijk door de aangescherpte beperkingen in veel landen om de exponentiële toename van nieuwe besmettingen te stoppen.  Op langere termijn zullen er echter ook ingrijpende gevolgen zijn, zoals een hogere schuldenlast voor overheden en heel wat bedrijven. Ook bestaat het risico dat veel mensen die hun baan kwijt zijn of in een regeling van tijdelijke werkloosheid zitten nog geruime tijd werkloos zullen blijven. De aanbodzijde van de economie zal veranderen omdat de waardeketens worden aangepast om hun schokbestendigheid te vergroten. Ook de vraagzijde zal veranderen. Bepaalde veranderingen in de bestedingsgewoonten tijdens de lockdown – zoals een toenemend gebruik van e-commerce – kunnen permanent worden, de vraag naar kantoorruimte zal evolueren en er zullen meer mensen gaan thuiswerken, zelfs in een post-pandemische wereld, enzovoort. De groeivooruitzichten voor bepaalde sectoren op lange termijn kunnen er vandaag heel anders uitzien dan een jaar geleden. Om de klimaatdoelstellingen van het Akkoord van Parijs te bereiken, streven bovendien veel landen naar CO2-neutraliteit tegen 2050. De druk op heel wat bedrijven zal naar verwachting hoog blijven. “Historisch gezien verloopt er een zekere tijd tussen de afname van de groei van het bbp en de stijging van het aantal faillissementen en van de werkloosheidcijfers, die doorgaans een jaar na de eerste schok pieken en nog twee jaar hoog blijven. ” [1] Moody’s berekende dat tegen februari volgend jaar het wereldwijde default-percentage van bedrijven met speculatieve rating over de jongste 12 maanden kan oplopen tot 9,7%-13,3% indien een vergelijkbaar patroon zou worden gevolgd als in voorgaande cycli.[2]Dat vormt een uitdaging voor overheden om schaarse begrotingsmiddelen toe te wijzen. Dit punt werd onlangs benadrukt door de Britse minister van Financiën, Rishi Sunak, bij de presentatie van zijn ‘Winter Economy Plan’ aan het parlement: “We moeten nieuwe kansen creëren en de economie in staat stellen om vooruit te gaan. Dat betekent dat we mensen moeten ondersteunen in levensvatbare banen die echte zekerheid bieden. Zoals ik al zei tijdens deze crisis, kan ik niet elke business redden. Ik kan niet elke job veiligstellen.”[3] Het idee van bloeiende sectoren vol nieuwe kansen en andere die moeite hebben om te overleven, herinnert ons aan de creatieve destructie van Schumpeter. “Creatieve destructie verwijst naar het ingrijpende product- en procesinnovatiemechanisme waardoor nieuwe productie-eenheden verouderde eenheden vervangen. ”[4] Een dergelijk proces kan op korte termijn enorme kosten met zich meebrengen en ertoe leiden dat mensen hun werk verliezen. Het kan ook de bedrijfswaarde vernietigen. Dit kan resulteren in een defensieve beleidsreactie. Vooral regeringen die voor verkiezingen staan, kunnen geneigd zijn om de speciale programma’s die tijdens de lockdown werden ingevoerd voor een langere periode te verlengen om banen en bedrijven te redden. In veel landen ligt de insolventie momenteel ver onder het niveau dat een jaar geleden werd geregistreerd. Onderzoek toont echter aan dat werkzekerheidsvoorzieningen het aanpassingsproces van de economie vertragen, de productiviteitsgroei verminderen en dus ook de groei van het bbp doen afnemen.[5] Dit vraagt om een beleid dat zo min mogelijk de structurele aanpassing belemmert, maar dat ook naar manieren zoekt om mensen te helpen die door de economische transformatie het slachtoffer zijn geworden van jobverschuiving. De OESO heeft dit voor 13 Europese landen geanalyseerd in de periode 1986-2008 en kwam tot het besluit dat “de waarschijnlijkheid dat werknemers die hun baan verliezen door sluiting van de fabriek in het komende jaar een baan vinden positief gerelateerd is aan de uitgaven voor actieve arbeidsmarktprogramma‘s.”[6] Dergelijke programma’s omvatten uitgaven voor hulp bij het zoeken naar werk, voor opleiding en het scheppen van banen in de publieke sector en voor gesubsidieerde tewerkstelling in de particuliere sector.[7] Deze beleidsvragen zijn zeer relevant onder de huidige omstandigheden. Op korte termijn wordt verwacht dat COVID-19 zal leiden tot een verdere toename van de Europese werkloosheid en insolventie. Op langere termijn brengt dit structurele veranderingen met zich mee in heel wat sectoren, met daaruit voortvloeiende druk op bepaalde delen van de arbeidsmarkt. Dit betekent dat het economische beleid zich niet alleen moet richten op de vraagzijde, maar ook – en in toenemende mate – op de aanbodzijde om te vermijden dat de pandemie een langdurige rem zet op de groei.

Graphique Edito 20.38 EN

[1] Bron: The Great Reallocation, een op-ed van Agustín Carstens, algemeen directeur van de BIS, voor Project Syndicate, gepubliceerd op 12 oktober 2020. Volgens de BIS kunnen “faillissementen van ondernemingen uit de geavanceerde economie volgend jaar met meer dan 20% stijgen (ten opzichte van 2019).”

[2] Bron: www.moodys.com. In maart bedroeg het equivalent 3,6% en in juli van dit jaar 6,1%.

[3] Bron: Voorstelling ‘Winter Economy Plan’ door de Britse minister van Financiën, Rishi Sunak, gepubliceerd op 24 september 2020, www.gov.uk.

[4] Bron: R. Caballero, economics.MIT.edu.

[5] Caballero merkt op: “Door de bewegingen van werknemers van minder naar meer productievere eenheden af te remmen, leidt een effectieve arbeidsbescherming tot daling van de productie en tot vertraging van de economische groei. We schatten dat de overgang van 20- naar 80-percentiel werkzekerheid de jaarlijkse productiviteitsgroei met maar liefst 1,7 procent verlaagt.”

[6] Bron: OESO, Coping with creative destruction: reducing the costs of firm exit, afdeling Economie, werkdocument nr. 1353, 2016.

[7] Passieve polissen omvatten uitgaven voor werkloosheidsverzekering en gerelateerde sociale uitkeringen (bron: OESO).