De Amerikaanse arbeidsmarkt is bijzonder krap. Het werkloosheidspercentage is zeer laag, het aantal vacatures is uitzonderlijk hoog, het personeelsverloop gemeten aan de hand van het aantal ontslagnemingen is ook hoog, de maandelijkse creatie van banen buiten de landbouwsector blijft hoog ondanks de economische vertraging en – niet verwonderlijk – de jaarlijkse loongroei is sterk, nog meer voor mensen die van baan veranderen. Een krappe arbeidsmarkt is zowel een gevolg als een oorzaak van een sterke vraag in de economie. Dit impliceert dat deze markt een cruciale, dubbele rol speelt in de inspanningen van de centrale bank om de inflatie terug te brengen naar het streefniveau. Enerzijds zal een tragere loongroei bijdragen tot een versoepeling van de inflatiedruk, omdat dit onder overigens gelijke omstandigheden een tragere groei van het arbeidsinkomen inhoudt. Dat zal wegen op de eindvraag in de economie en op de vraag naar arbeid, althans in bepaalde sectoren[1]. Bovendien zullen kleinere loonstijgingen de druk op de winstmarges van bedrijven verlichten, waardoor die minder geneigd zullen zijn de prijzen op te trekken. Anderzijds zal een tragere groei op de arbeidsmarkt wegen door een vertraging van de banencreatie en een lagere loongroei.

US unemployment and inflation

 

Het doel van een restrictief monetair beleid is de inflatie terugdringen. Daartoe moeten de inflatieverwachtingen (opnieuw) worden afgestemd op de inflatiedoelstelling van de centrale bank en moet de groei van de vraag vertragen.[2] Dat is nodig om de prijszettingskracht van bedrijven te verkleinen en de loongroei te beperken. Dat laatste is het gevolg van een minder dynamische arbeidsmarkt: het aantal vrije banen en onvervulde vacatures daalt. Of dat onvermijdelijk een aanzienlijke stijging van de werkloosheid vereist, is niet duidelijk. Het gebruikelijke macro-economische ‘werkpaard’ – de Phillips-curve – suggereert dat een daling van de kerninflatie gepaard gaat met een grote stijging van het werkloosheidspercentage omdat de curve vrij vlak is (grafiek 1). De recente waarnemingen wijzen echter op afwijkingen van de ‘normale’ relatie, waardoor het moeilijk is om in te schatten wat er in de toekomst zou kunnen gebeuren. De kwestie van de stijging van de werkloosheid hangt samen met de kwestie van een harde of een zachte landing. Fed-voorzitter Jerome Powell uitte zich zeer bescheiden in zijn recente persconferentie: “noch wij, noch iemand anders weet of dit proces zal leiden tot een recessie; en als die er komt, hoe omvangrijk ze zal zijn“. Het antwoord hangt af van hoeveel verkrapping nodig zal zijn om de inflatie terug te brengen naar het doelcijfer. De bepalende parameters zijn de gevoeligheid van de vraag voor hogere rentes en de invloed van een zwakkere vraag op de prijsbeslissingen van bedrijven en op de arbeidsmarkt. Dat laatste wordt gekenmerkt door een dynamische wisselwerking tussen vrije banen, onvervulde vacatures, ontslagnemingen en ontslagen. Die variabelen beïnvloeden het tempo van de loongroei. Bij een opleving stijgt het aantal vrije banen en onvervulde vacatures, met als gevolg een opwaartse druk op de lonen, waarbij de loonstijging voor wie van baan verandert (job switchers) groter is dan voor wie niet van baan verandert (job stayers) (grafieken 2 en 3). Bijgevolg neemt het percentage ontslagnemingen toe (grafiek 4). Bij een neerwaartse spiraal neemt het aantal onvervulde vacatures af, wordt het verschil in loongroei tussen job switchers en job stayers kleiner, nemen de ontslagen toe en – niet verwonderlijk in deze risicovollere en minder lonende omgeving – neemt het aantal ontslagnemingen af (grafiek 5). De totale loongroei vertraagt ook. Op dit moment bevinden we ons in de zeer vroege fase van dit proces – het aantal onvervulde vacatures en ontslagnemingen begint te dalen – maar historische gegevens doen ons verwachten dat die dynamiek in een stroomversnelling zal komen en dat een tragere loongroei zal bijdragen aan de krimp van de inflatie volgend jaar. De vraag blijft echter in welke mate. Daarom is het beleid van de Federal Reserve ook volledig afhankelijk van gegevens.

US labour market data

[1] Denk hierbij aan conjunctuurgevoelige consumentenbestedingen: duurzame goederen, vrije tijd, reizen enz.

[2] Als de inflatie het gevolg is van een negatieve aanbodschok, dan kan de centrale bank niet veel doen. Door een basiseffect zal de inflatie uiteindelijk afnemen. Bovendien zal de hoge inflatie op de vraag wegen, wat een desinflatoire impact zal hebben. Om die redenen zullen de centrale banken de neiging hebben om negatieve aanbodschokken te negeren, tenzij de inflatieverwachtingen zouden losslaan. In een dergelijke situatie is monetaire verkrapping gerechtvaardigd.