Het was een zeldzaam toeval dat vorige week vier grote centrale banken (Federal Reserve, Europese Centrale Bank, Bank of England en Bank of Japan) vergaderden over hun monetaire beleid. Hoewel ze allemaal streven naar een inflatie van 2%, treffen ze wel verschillende beslissingen qua aanpak, kijk op de economische situatie en vooruitzichten.

Het Monetary Policy Committee (MPC) van de Bank of England (BoE) zorgde voor een verrassing door de beleidsrente (de Bank Rate) met 0,15 procentpunt te verhogen tot 0,25%.[1] Dit besluit werd genomen met erkenning van het feit dat de “omikronvariant neerwaartse risico’s inhoudt voor de activiteiten begin 2022, hoewel het evenwicht van de effecten ervan op de vraag en het aanbod, en dus op de globale inflatoire druk op middellange termijn, onduidelijk is” en dat ondanks de verwachting dat deze variant, in combinatie met aanvullende overheidsmaatregelen en vrijwillige social distancing, het bbp in december en het eerste kwartaal van 2022 naar beneden zal duwen. De aanzet voor het MPC om de beleidsrente te verhogen, was het inflatieklimaat – “er is aanzienlijk positief nieuws geweest voor de kerngoederen en, in mindere mate, de inflatie van de dienstenprijzen” – en ook de vooruitzichten waarbij de inflatie naar verwachting in april 2022 zal pieken op ongeveer 6%.

De arbeidsmarkt is krap en we zien tekenen van grotere druk op de binnenlandse kosten en prijzen. Bovendien is de impact van omikron op de inflatie onduidelijk voor de BoE. Gezien het tijdsverloop tussen de veranderingen in het monetaire beleid en de inflatie is een benadering op middellange termijn gerechtvaardigd – vandaar de renteverhoging.

In de VS besloot het Federal Open Market Committee om de afbouw van de activa-aankopen (tapering) te versnellen “in het licht van de aantrekkende arbeidsmarkt en verhoogde inflatiedruk.”[2] Na de recente uitspraken van Jerome Powell en andere FOMC-leden gingen we wel uit van een versnelde tapering. Zij zijn van oordeel “dat de totale vraag zeer sterk blijft, ondersteund door het begrotings- en monetaire beleid, en de gezonde financiële situatie van de huishoudens en bedrijven.” Belangrijker als havikachtig signaal is de opwaartse bijstelling van de mediane projectie van de FOMC-leden voor de federal funds rate naar 0,9% eind volgend jaar (0,3% in de projecties van afgelopen september) en 1,6% in 2023 (1,0% voorheen).[3] Bovendien verklaarde Powell tijdens de persconferentie dat, mocht de inflatie hoog blijven, de beleidsrente kan worden verhoogd voordat de maximale werkgelegenheid wordt bereikt.[4] Het einde van de nettoaankopen van activa is gepland voor midden maart volgend jaar. De voorzitter van de Fed liet doorschemeren dat we kort daarna een renteverhoging mogen verwachten. In de vorige cyclus zat er vrij veel tijd tussen het einde van de kwantitatieve versoepeling en de eerste renteverhoging, maar volgens hem zal dat in deze cyclus niet het geval zijn.

Het besluit van de ECB om haar nettoaankopen van activa in maart 2022 in het kader van het Pandemic Emergency Purchase Programme stop te zetten, werd algemeen verwacht. De tijdelijke en beperkte toename van het ’traditionele’ activa-aankoopprogramma (Asset Purchase Programme, APP) suggereert dat de bestuursraad verwacht dat de inflatie zich op de middellange termijn zodanig zal ontwikkelen dat een verdere normalisatie van het monetaire beleid mogelijk zal worden[5].

Tot slot kondigde de Bank of Japan haar versie van tapering aan.  Het tempo van de aankopen van handelspapier en bedrijfsobligaties wordt vanaf april 2022 teruggeschroefd tot dat van voor de coronapandemie. Het ‘Special Program to Support Financing in Response to the Novel Coronavirus (COVID-19)’ wordt evenwel gedeeltelijk met zes maanden verlengd tot eind september 2022, om de financiering van voornamelijk kleine en middelgrote bedrijven te ondersteunen.[6] Er is echter geen zicht op een verandering in het rentebeleid.

Hoewel de vier centrale banken dezelfde inflatiedoelstelling van 2%[7] hebben, kunnen de verschillen in hun laatste beslissingen op het eerste gezicht verwarrend zijn. Tot op zekere hoogte weerspiegelen ze verschillen in het belang dat wordt gehecht aan de onzekerheidsfactor van de omikronvariant. De Bank of England erkent dat de virusvariant op de groei kan wegen, maar focust eerder op de inflatie, waar de impact van omikron niet duidelijk is. De Federal Reserve lijkt minder waarde te hechten aan de nieuwe variant, wat haar overtuiging weerspiegelt dat de economie sterk is en dus veerkrachtig zou moeten zijn. De ECB benadrukt dat “het evenwicht tussen de inflatoire of deflatoire impact die omikron zal hebben nog steeds totaal onzeker is”, wat verklaart waarom ze de voorkeur geeft aan “het behouden van de nodige flexibiliteit en optionaliteit om te reageren op veranderingen in omstandigheden”.[8] Bovendien bevinden de verschillende landen zich in verschillende stadia van de cyclus, in termen van inflatie, werkloosheid enz. De vier centrale banken hebben echter één ding gemeen, namelijk de bereidheid om te reageren wanneer de omstandigheden daarom vragen. Christine Lagarde verwoordde het heel mooi tijdens haar persconferentie: “we worden gedreven door gegevens”.

 

[1] Bank of England, Samenvatting van het monetaire beleid en notulen van de vergadering van het Monetary Policy Committee die eindigde op 15 december 2021.

[2] Federal Reserve, transcriptie van de persconferentie van voorzitter Powell, 15 december 2021.

[3] Het FOMC verwacht ook een snellere daling van de werkloosheid en een tragere afname van de inflatie.

[4] Het FOMC heeft twee voorwaarden gesteld voor een renteverhoging: de inflatie moet geruime tijd boven de doelstelling liggen en de werkgelegenheid moet het maximale niveau hebben bereikt. Die laatste voorwaarde zou kunnen worden geschrapt op basis van de bepaling van de evenwichtige aanpak, waarbij rekening moet worden gehouden met de afstand tot het doel en de snelheid waarmee het wordt benaderd.

[5] ‘Verdere normalisatie’ zou bestaan uit het afbouwen van het APP, gevolgd door een verhoging van de depositorente.

[6] Bank of Japan, Verklaring over het monetaire beleid, 17 december 2021.

[7] Voor de Federal Reserve maakt dit streefdoel deel uit van de flexibele benadering van de gemiddelde inflatiedoelstelling.

[8] ECB, Verklaring over het monetaire beleid en persconferentie, Christine Lagarde, Voorzitter van de ECB, Luis de Guindos, Vicevoorzitter van de ECB, Frankfurt am Main, 16 december 2021