eurozoneIn de eurozone was het monetaire beleid vooralsnog het enige instrument dat werd ingezet om de eindvraag te ondersteunen. Nu de ECB van start gaat met een omvangrijk programma voor kwantitatieve versoepeling (QE) speelt ze meteen ook haar laatste troefkaart uit. Willen we dat de economie zich duurzaam herstelt, dan is het moment aangebroken om de nadruk op een op de aanbodzijde gericht beleid te leggen.

Recessies en periodes van matige economische groei wijzen op een gebrekkige vraag. Het is dus niet meer dan logisch dat een tegencyclisch beleid zijn pijlen op de eindvraag richt. In theorie kan dat via het begrotingsbeleid (belastingen verlagen en/of de overheidsuitgaven verhogen) of via het monetaire beleid, of via een combinatie van beide. In de eurozone drukte het begrotingsbeleid jarenlang op de groei en was het monetaire beleid het enige wapen dat werd ingezet om de tegenwind van begrotingsdiscipline, een regelgeving die banken verplichtte om hun schulden af te bouwen en een sterke valuta te bestrijden. Verrassend was het dus niet dat de groei bijzonder traag was waardoor de outputkloof verbreedde en de desinflatie aan kracht won. Het monetaire beleid was niet alleen het enige instrument, het werd bovendien slechts met mondjesmaat ingezet. In de VS was het beleid veel agressiever en werd de ondergrens van nul voor de beleidsrente al snel bereikt. Nadien volgden dan meerdere rondes van QE.

Nu de ECB een breed programma van activa-aankopen met inbegrip van staatsobligaties opstart, hebben we stilaan de grenzen van het monetaire beleid bereikt. Dit is de laatste troefkaart die de centrale bank kan uitspelen. Zoals Mario Draghi eind augustus vorige jaar al beklemtoonde in Jackson Hole zijn de mogelijkheden van het monetaire beleid beperkt. Onze politieke leiders hebben nu drie opties. De eerste optie is de nadruk naar het begrotingsbeleid verschuiven. Wat dat betreft, moeten we echter realistisch blijven: Duitsland is er niet bepaald op gebrand om zijn economie te herstellen en de locomotief te worden voor de rest van de eurozone omdat het bezorgd is over de dynamiek van zijn openbare financiën (vergrijzing) op de lange termijn en over mogelijk ‘parasitair’ gedrag van zijn Europese partners. In het ideale geval zou er een gecoördineerde aanpak kunnen komen waarbij landen zoals Frankrijk en Italië beloven om hun begrotingstekorten geleidelijk maar gestaag af te bouwen en Duitsland van zijn kant om meer uit te geven. Een tweede optie is helemaal niets doen in de veronderstelling dat een betere conjunctuur in de eurozone in de tweede helft van het jaar dankzij een lage rente, een zwakkere euro en goedkopere olie automatisch tweederonde-effecten genereert waarbij het herstel van de activiteit zelfvoedend wordt. Het is echter nog veel te vroeg om daar al vanuit te gaan. Alles hangt immers af van de sterkte van het herstel dit jaar en van de mate waarin consumenten en bedrijven geloven in de duurzaamheid van dat herstel (‘vertrouwen creëert meer vertrouwen’).

Een derde optie is om vanaf nu op een structureel beleid te focussen wat in grote mate neerkomt op een op de aanbodzijde gericht beleid. Een dergelijk beleid dekt meerdere aspecten: infrastructuur, R&D, innovatie, concurrentievermogen, een positief ondernemingsklimaat, flexibiliteit (ook in de arbeidsmarkt), enz. Anders gezegd, het is een samenstel van factoren dat bepaalt of bedrijven voorop kunnen lopen in hun sector, concurrerend zijn in termen van prijzen en in staat en bereid zijn om kansen te benutten (waarbij ‘bereid’ hier verwijst naar de afwezigheid van administratieve lasten). Geeft het monetaire beleid of goedkopere olie een positieve impuls die de economische motor naar zijn eerste versnelling schakelt, dan maximaliseert een gunstige structurele omgeving de kansen dat de economie na verloop van tijd naar de tweede versnelling schakelt. Een andere reden waarom dit best nu gebeurt, is dat op de aanbodzijde gerichte maatregelen aanpassingskosten meebrengen voor bepaalde sectoren en dus maar beter getroffen worden als de globale economie zich herstelt.