Een structureel beleid om “de aanbodzijde van de economie blijvend en ten gunste te veranderen[1] is een belangrijke maar complexe opdracht. Een enorm aantal factoren beïnvloedt de structurele prestaties (in zijn jaarlijkse rapport Going for Growth toont de OESO grafieken voor maar liefst 31 indicatoren). Het aantal mogelijke maatregelen is eveneens legio. Bovendien kunnen de korte- en langetermijneffecten van die maatregelen uiteenlopen en kunnen de effecten verschillen naargelang de maatregelen afzonderlijk worden genomen of deel uitmaken van een breder pakket. Toch staat het belang van een structureel beleid buiten kijf. Dat is wat Mario Draghi duidelijk maakte tijdens de ECB-conferentie in Sintra in 2015: “Structurele hervormingen… verhogen het beloop van de potentiële productie, ofwel door een versterking van de voor de productie benodigde inputs … ofwel door ervoor te zorgen dat die inputs efficiënter worden gebruikt, d.w.z. door een verhoging van de totale factorproductiviteit (“total factor productivity” of TFP)… ze maken economieën schokbestendiger door prijs- en loonflexibiliteit en een snelle hertoewijzing van middelen binnen en tussen sectoren mogelijk te maken”. In een monetaire unie is hun belang zelfs nog groter: structurele hervormingen voorkomen dat de economieën sterker divergeren wat uiteindelijk ontwrichtend kan zijn en de juiste maatregelen kunnen positieve externaliteiten creëren door de unie voor alle lidstaten te verstevigen.

Een andere complexe factor is de juiste timing van structurele hervormingen. Een lekkend dak herstellen, doe je beter als de zon schijnt dan dat je wacht tot het regent. Dat is een kwestie van gezond verstand. Geldt dat ook voor het hervormingsbeleid? Een vaak gehoord argument is dat er weinig bereidheid is om te hervormen als de economie het goed doet omdat dan net de perceptie leeft dat er geen nood aan is. Het kan dan lastig zijn om de kiezer te overtuigen dat hervormingen nodig zijn en het kan de kansen op herverkiezing verlagen. Toch blijkt uit het onderzoek van Buti, Turrini & van den Noord[2] dat 21 OESO-landen over de periode 1985-2004 dekt dat de “de kansen op herverkiezing groter zijn voor hervormingsgezinde dan voor niet-hervormingsgezinde regeringen” zolang er maar een efficiënt werkend financieel systeem en een efficiënt sociaal vangnet is: risicodeling en een afvlakkend effect op de consumptie zorgen ervoor dat kiezers beter bestand zijn tegen de eventuele negatieve kortetermijneffecten van een hervormingsbeleid.

Hervormingen kunnen ook op verzet stuiten door de perceptie dat de kosten en baten ongelijk verdeeld zijn[3]. Bij hervormingen als de economie zwak is, komen er bedenkingen dat dit contraproductief is omdat het de doeltreffendheid van een accommoderend monetair beleid verlaagt[4]: hervormingsmaatregelen die het totale aanbod moeten verhogen kunnen de inflatieverwachtingen drukken en de reële rente omhoog duwen. Dat zou een combinatie van hervormingen van de productenmarkt en van de arbeidsmarkt vereisen[5]. Bepaalde hervormingen kunnen de werkonzekerheid verhogen en het vertrouwen en de uitgaven van consumenten drukken. Volgens Draghi (2015) “bestaat er inderdaad enige empirische onderbouwing voor deze bedenkingen. Uit onderzoek komt bijvoorbeeld naar voren dat hervormingen die de werkgelegenheidsflexibiliteit verhogen (zoals het verminderen van de ontslagbescherming) de vraag eerder zullen drukken tijdens

[1] Mario Draghi, Structurele hervormingen, inflatie en monetair beleid, Inleidende toespraak, Inflatie en werkloosheid in Europa, Conference proceedings, 21-23 mei 2015, Sintra, Portugal

[2] Marco Buti, Alessandro Turrini, Paul van den Noord, Reform and be re-elected: Evidence from the post-crisis period, 4 juli 2014, VOX CEPR’s policy portal

[3] Antonio Dias Da Silva, Audrey Givone and David Sondermann, When do countries implement structural reforms?, werkdocument ECB 2078, juni 2017

[4] Wat volgt is op Draghi gebaseerd (2015)

[5] Luc Everaert and Werner Schule, Why it pays to synchronize structural reforms in the euro area across markets and countries, werkdocumenten IMF, Vol. 55, Nr. 2, 2008