petrol2

In 2013 verloor het gele metaal zijn glans. Dit jaar is het de beurt aan het zwarte goud. Eind juni kostte een vat Brent olie ongeveer USD 115. Vandaag is dit USD 70. Een daling van liefst 40% in vijf maand tijd. Die dynamiek kreeg vorige week trouwens een nieuwe impuls toen de OPEC besliste zijn productiedoelstelling te handhaven. Daarmee krijgt lagere olieprijs een vrij permanent karakter. Mijn collega’s grondstoffenspecialisten mikken op een koers van gemiddeld USD 77 in 2015. Het spreekt vanzelf dat de economische gevolgen van een permanente daling veel aanzienlijker zijn dan een tijdelijke beweging. Gezinnen en bedrijven kunnen in hun bestedingsgedrag rekening houden met een langdurige koopkrachtwinst door de lagere olie, wat hen vandaag al meer vertrouwen. Uit macro-economische modellen blijkt dat een daling van de olieprijs met USD 10 na drie à vier kwartalen het BBP van de Eurozone met 0.4 procentpunt doet stijgen. Gezien de daling sinds eind juni ongeveer USD 40 bedraagt, is de verleiding groot om dit cijfer met 4 te vermenigvuldigen, wat een enorme groei-impuls zou inhouden. Dit is weinig realistisch: in euro is de koersdaling sinds de piek iets kleiner (33% tegen 39% in USD) maar daarenboven mogen we niet vergeten dat de impact van lagere olieprijzen omgevingsafhankelijk is: bij hoge werkloosheid en lage vraag zal men minder uitbundig reageren. Niettemin kunnen we de lagere olie toevoegen aan de lijst van factoren die in 2015 voor een iets betere Europese conjunctuur zouden moeten zorgen: de lagere rente, de zwakkere euro, een begrotingsbeleid dat veel minder afremmend werkt dan vroeger, een sterke Amerikaanse groei, het vooruitzicht van een toenemende kredietvraag en een vlottere toegang tot bankkrediet. Nieuwe maatregelen van de ECB om haar balanstotaal significant te verhogen zullen voor een extra vertrouwensstimulans zorgen.

Veel goed nieuws dus maar er is ook een keerzijde. Lagere olieprijzen betekenen een inkomensverlies voor de olie-exporterende landen. De gevolgen variëren van land tot land maar algemeen betekenen ze een toename van het begrotingstekort, geringere overschotten op de handelsbalans en lopende rekening met als gevolg minder geld om te beleggen in het Westen (Amerikaans overheidspapier bijvoorbeeld), druk op de wisselkoers (denk aan de roebel). Op bedrijfsvlak kan het voor een daling van de investeringen zorgen en dus een tragere stijging van toekomstige olieproductie. In de VS moet de impact op de schalie-olie-industrie van nabij worden gevolgd, a fortiori bij bedrijven met een hoge schuldgraad: lagere koersen brengen hen dichter bij de pijngrens en kunnen op termijn tot wanbetalingen leiden, alhoewel dit eerder een probleem kan zijn in 2016 dan 2015. Naar verluidt immers hebben deze producenten zich voor 2015 reeds ingedekt tegen dalende prijzen.

Een Franse versie van deze tekst werd gepubliceerd in Le Jeudi (Luxemburg) op 4 december 2014.