Economen volgen doorgaans met grote belangstelling het gedrag van de financiële markten. De prijs van een belegging hangt af van de betaalstromen, de rente en de risicopremie die beleggers vereisen. De ontwikkeling van deze drie factoren is zeer cyclisch gebonden. We kunnen dan ook stellen dat de prijs van een aandeel, een obligatie, onroerend goed enz. in zekere mate de verwachtingen van beleggers over de groei en de renteontwikkeling weerspiegelt.

De marktcyclus bestaat economisch gezien uit drie fasen. De eerste fase is die van opluchting en hoop. Aan het einde van een recessie begint de beurs te stijgen die daarbij steun krijgt van een aanzienlijke rentedaling waardoor de verwachting groeit dat de activiteit uiteindelijk zal toenemen.  De tweede fase is er een van vertrouwen: de beurskoersen stijgen niet zozeer door het monetaire beleid als wel dankzij de goede economische vooruitzichten.

Nu bevinden we ons in de derde fase. We observeren een zeer goede ontwikkeling van de conjunctuur en een inflatie onder de doelstelling van de centrale banken waardoor het monetaire beleid soepel kan blijven wat de groei ondersteunt. Daardoor zijn de verwachtingen over de betaalstromen (dividenden) optimistisch terwijl de officiële rente laag kan blijven. De risicobereidheid is dan ook hoog omdat beleggers vol vertrouwen zijn en het economisch risico, d.w.z. de kans op een cyclische ommekeer, laag inschatten.  We kunnen stellen dat waakzaamheid tekenend is voor deze fase. Enerzijds zijn beleggers blij met de ontwikkeling van de beurskoersen waaruit het succes van het monetaire beleid blijkt. Dit ondersteunt tevens de groei dankzij de gunstige financiële voorwaarden voor bedrijven of een zeker vermogenseffect bij de gezinnen. Anderzijds stemt dit ook tot nadenken. In de Verenigde Staten zien we een nauwe correlatie tussen een toename van het vermogen van de gezinnen en hun vertrouwen: dankzij de stijging van de beurskoersen en het vastgoed nemen het vertrouwen en de uitgaven toe en daalt bovendien de spaarquote.  Het gevaar bestaat dan ook dat een daling van de beurs de consumptie drukt. Verder maakt hun hoge waardering  activa sterk gevoelig voor een wijziging van de fundamentele economische factoren zoals een stijging van de inflatie of de rente of een plotse vertraging van de groei.

Met andere woorden, economen letten nu meer dan ooit op het welvaren van de beurs. Dit welvaren ondersteunt ongetwijfeld de groei, maar brengt het probleem met zich mee dat het zeer gevoelig is voor een mogelijke wijziging in de monetaire en economische verwachtingen.