Toen ik onlangs in Rome in een smalle straat naar de Spaanse Trappen wandelde, zag ik dat er zich voor het portaal van een duur hotel een menigte had verzameld. De mensen hadden hun smartphones in de aanslag om foto’s te nemen. Koesterden ze ambities om paparazzi te worden? Ik sprak één van de omstaanders aan en vroeg op wie ze wachtten. Haar antwoord sloeg me met verstomming: “Ik weet het eigenlijk niet, maar aangezien iedereen hier staat, moet er wel een belangrijk persoon binnen zijn, dus ik wil klaar staan als hij of zij naar buiten komt.” In gedachten verzonken wandelde ik verder en bedacht hoe gemakkelijk kuddegedrag ontstaat. Hopelijk wist iemand hen uiteindelijk te vertellen wie er naar buiten zou moeten komen en in een limousine springen, waarna de onzekerheid van de menigte zich zou beperken tot het tijdstip (wanneer daagt hij/zij op?) en de tijdsduur (hoe lang zal hij/zij te zien zijn?).

Eenzelfde fenomeen zien we recent in de financiële markten. Aandelen werden massaal verkocht wat op basis van de economische cijfers een overdreven reactie lijkt. De cijfers waren inderdaad gemengd, maar niet in die mate dat het de uitstroom die we zagen kon rechtvaardigen. De daling van de olieprijs is sinds begin dit jaar een belangrijke oorzaak van het negatieve sentiment. Eén mogelijke interpretatie is het ‘paparazzimodel’: de olieprijs daalt, dat moet wel een signaal zijn dat de vraag verzwakt en dat is reden genoeg om aandelen van de hand te doen (net zoals een samenscholing voor een hotel wel moet betekenen dat er een beroemdheid binnen is). Waar dit standpunt helemaal geen rekening mee houdt is dat de dalende trend van de olieprijs op een overaanbod wijst wat een enorme meevaller is voor olie-importeurs. Dat kan te maken hebben met een tweede interpretatie die ik het ‘ambiguïteitsmodel’ zou noemen: terwijl er zekerheid is over het negatieve effect van goedkopere olie voor de producenten (stijgend wanbetalingsrisico bij Amerikaanse producenten van schalieolie, oliereuzen die hun investeringen terugschroeven, toenemende financiële druk in veel olie-exporterende landen), leeft er ambiguïteit over de mate waarin goedkopere olie de consumptie in olie-importerende landen aanwakkert. Consumenten profiteren duidelijk direct als ze tanken, maar als ze zich onzeker voelen over de economische verwachtingen zetten ze een deel van dat geld misschien opzij. Voor bedrijven zijn de onzekerheidsfactoren wellicht nog belangrijker omdat nieuw personeel aantrekken en de capaciteit opvoeren verbintenissen op lange termijn zijn. Zij zullen willen zien hoe permanent de daling van de olieprijs is en hoe andere bronnen van onzekerheid zoals de Chinese groei of de evolutie van de verwerkende activiteit evolueren. Een derde interpretatie is het ‘staartrisicomodel’. De prijs van een actief op een gegeven tijdstip weerspiegelt de impliciete distributie van verwachte waarden voor bepalende factoren van die prijs. Beleggers zullen met een bepaalde graad van waarschijnlijkheid uitgaan van een bbp-groei dit jaar onder de 0%, tussen 0 en 1%, tussen 1 en 2% enz.  Hetzelfde geldt voor de rente, de winstgroei enz. In alle gevallen zal dat een effect hebben op de huidige prijs van aandelen, obligaties, valuta’s enz. Extreme scenario’s zouden een erg lage of erg hoge prijs impliceren, maar hun impact op de huidige prijzen verwatert door de lage waarschijnlijkheid dat een extreme gebeurtenis zich inderdaad voordoet. De markten evolueren echter snel als er veel tegelijk gebeurt. Als beleggers moeite hebben om het bos nog door de bomen te zien, raken ze in de greep van risicoaversie waardoor ze de waarschijnlijkheid van staartrisicoscenario’s hoger inschatten: wat zou er met de producenten gebeuren als de olieprijs nog verder keldert? Hoe niet-lineair zouden de economische gevolgen kunnen zijn? Dat is ten minste een deel van de verklaring voor de reactie op de dalende olieprijs die we in januari zagen. In dat licht is het recente nieuws dat Rusland gesprekken met de OPEC wil aanknopen om het aanbod terug te schroeven natuurlijk belangrijk, hoewel het nog niet betekent dat er ook een overeenkomst komt. Het herinnert er ons echter aan dat de olieprijs niet alleen van de marktwerking afhangt, maar ook van de manier waarop toonaangevende landen de markten benaderen.