Met de COVID-19-pandemie zijn niet enkel de vraag en activiteit fors gedaald, maar is ook de prognoseonzekerheid toegenomen. Dit fenomeen is typisch voor recessies omdat de sterkte en snelheid van een herstel moeilijk te voorspellen zijn. Psychologische factoren zoals vertrouwen en dierlijke instincten spelen een belangrijke rol maar zijn moeilijk te voorzien. In de vorige recessie was de consensusprognose voor de reële Amerikaanse bbp-groei in 2009 -1,3 procent met een marge tussen -2,5 en 0,3 procent[1]. De huidige Bloomberg-consensus voor 2020 is -5,9 procent met een marge tussen -10,5 en -2,5 procent. Voor volgend jaar zijn de overeenkomstige cijfers 4,1, 0,5 en 11,4 procent. De prognosemarges zijn vandaag vijf keer groter dan eind 2008. Dit toont de onzekerheid aan over de ernst van de recessie en het potentieel voor een herstel. Door deze slingerbewegingen is prognoses stellen een bijzonder moeilijke oefening geworden.

Graphique EN édito 20.22

Onzekerheid op macroniveau gaat meestal hand in hand met onzekerheid op microniveau. Om dit laatste te visualiseren, toont de grafiek de uiteenlopende prognoses voor de winst per aandeel voor de komende twaalf maanden. Deze maatstaf voor onzekerheid heeft een grote sprong gemaakt, tweemaal zo hoog als in 2008. Gezien de aard en omvang van de huidige crisis komt een dergelijke abnormaal grote beweging niet als een verrassing. Frappanter misschien is de ontwikkeling van de Amerikaanse aandelenmarkt. Daar waar in het verleden een plotse toenemende onzekerheid over de winstverwachtingen gepaard ging met dalende aandelenkoersen, hebben we in de afgelopen drie maanden een eerder kortstondige daling van de aandelen gezien, gevolgd door een behoorlijke rally, hoewel de onzekerheid over de winstverwachtingen zeer groot blijft. Rekening houdend met de beperkte winstvisibiliteit hebben marktdeelnemers waarschijnlijk hun beleggingshorizon verkort en maken ze zich niet langer zorgen over hoe de winsten gaan evolueren. De ondersteuning van het monetaire en budgettaire beleid evenals de kloof tussen dividendrendementen en obligatierendementen bieden dan de motivatie om op korte termijn aandelen te kopen, des te meer omdat door de lage transactiekosten de positie gemakkelijk kan worden gesloten mocht de situatie anders aflopen dan verwacht.

Bestuursraden van bedrijven reageren totaal anders. Door de troebele winstverwachtingen zullen ze aarzelen om te investeren en hun capaciteit te verhogen, in afwachting dat het zicht op de toekomst verbetert. In tegenstelling tot financiële beleggingen is kapitaalvorming moeilijk terug te draaien zodra een project gelanceerd is. Gelet op de hoge transactiekosten zullen bedrijven dus meestal een afwachtende houding aannemen. Hoewel deze voorzichtigheid begrijpelijk is op microniveau, leidt ze op macroniveau, indien ze algemeen wordt toegepast, wel tot een tragere groei. Dit kan op zijn beurt de overtuiging van bedrijfsleiders versterken die ervoor hadden gepleit het zekere voor het onzekere te nemen. Een groot verschil tussen financiële markten en bedrijven qua houding ten aanzien van dezelfde bronnen van onzekerheid kan evenwel niet eeuwig blijven duren. Ofwel herstelt de groei zich, waardoor de indruk van een betere visibiliteit ontstaat en dierlijke instincten in bedrijven terugkeren, ofwel blijft de groei gematigd en beginnen markten zich zorgen te maken over de winstverwachtingen. Tenzij de Fed opnieuw te hulp snelt.

[1] Bron: Consensus Forecasts, december 2008. Reële bbp-groei blijkt -2,5 procent te zijn in 2009.