pétroleDe gestage daling van de olieprijzen is één van de verrassingen deze herfst. Zowel de gezinnen als de bedrijven zullen van die daling profiteren naarmate die ook voelbaar wordt in de energiefactuur en aan de benzinepomp. Toch klinkt in heel wat commentaren ook ongerustheid over die daling door. Daar zijn twee verklaringen voor. De eerste uitleg is de slechte herinnering aan 2008 toen Brent-olie op zijn hoogtepunt in juli niet minder dan 145 USD per vat kostte, terwijl er op het einde van datzelfde jaar nog slechts 35 USD voor werd neergeteld. Daardoor zien sommige waarnemers de huidige daling als een voorteken van een vertraging of zelfs een recessie van de wereldeconomie.

Die interpretatie is niet gerechtvaardigd. De wereldwijde groei is door het IMF inderdaad naar beneden bijgesteld (van 3,4% naar 3,3% voor 2014 en van 4,0% naar 3,8% voor 2015). In de eurozone groeit de economie erg langzaam en in meerdere opkomende markten, waaronder China, is er sprake van een vertraging. Maar daarmee zijn we nog altijd ver verwijderd van 2088-2009 toen de wereldwijde bbp-groei van 3,0% naar 0% kelderde.

Ander zorgenkind zijn de inflatieverwachtingen. Het gevaar bestaat dat de daling van de olieprijs een matigend effect heeft op de hele prijzenindex, net nu die al amper stijgt. Dat zou de verwachte prijsstijgingen verlagen wat op zijn beurt, bij een ongewijzigde nominale rente, de reële rente zou doen stijgen.

Een aantal waarnemers relativeert dit risico, wellicht omdat ze ervan uitgaan dat de daling van tijdelijke aard is of dat het een drempeleffect betreft: de olieprijzen evolueren naar een nieuw evenwicht, maar een dalende trend is dit niet. Het negatieve basiseffect op de prijzen zou na een jaar verdwijnen.

Anderen denken net het tegenovergestelde. Zij vrezen dat de stijging van de reële rente waarmee een permanente en trendmatige daling van de olieprijzen gepaard gaat de kredietvraag kan temperen. Volgens die interpratie zouden de olieprijzen eigenlijk bijna moeten stijgen! Dat zou voorkomen dat de inflatieverwachtingen dalen en dus dat de reële rente stijgt. Die lezing houdt echter geen rekening met de negatieve impact van een stijging van de olieprijzen op de koopkracht. Bovendien wordt in dat geval verondersteld dat de centrale banken helemaal niets ondernemen.

UIteindelijk doet de daling van de olieprijzen vragen rijzen die hoofdzakelijk betrekking hebben op de toestand van de wereldeconomie. Er zou maar weinig nodig zijn – enkele positieve economische berichten zouden al volstaan – om iedereen er weer aan te herinneren dat die daling vooral gunstig is voor de activiteit omdat ze de koopkracht van de gezinnen en de bedrijven ondersteunt. Wij gaan er bijvoorbeeld van uit dat een permanente prijsdaling met 10 dollar per vat na 7 tot 8 kwartalen een positieve impact op de groei van 0,4% op de groei zou hebben (0,2% als de daling slechts tijdelijk zou zijn). Vooral die laatste positieve conclusie moet men onthouden.