In een klimaat van structureel lage inflatie hebben centrale banken en hun volgers er alle belang bij om de inflatieverwachtingen op de voet te volgen. Uit econometrisch onderzoek is namelijk gebleken dat de gerealiseerde inflatie de inflatieverwachtingen beïnvloedt, maar ook dat die verwachtingen op hun beurt bepalend zijn voor de toekomstige inflatiecijfers. Dat laatste is te verklaren door de rol van de inflatieverwachtingen in het prijszettingsgedrag van bedrijven en in loononderhandelingen. Inflatieverwachtingen zijn echter onwaarneembaar. Daarom zoeken analisten hun heil in andere indicatoren zoals de evolutie van de inflatieverwachtingen op basis van peilingen of het verloop van de financiële markten. Ze gaan er daar bij van uit dat deze indicatoren vrij goed aansluiten bij de niet-weernaambare ‘echte’ inflatieverwachtingen.

De groene lijn in onderstaande grafiek toont een op de markt gebaseerde indicator die de laatste jaren sterk aan populariteit won. Hij is gebaseerd op inflatieswaps en toont de de verwachte inflatie over vijf opeenvolgende jaren binnen vijf jaar.

chart20Nov2015

De reeks is vrij volatiel en de twee andere lijnen in de grafiek werden toegevoegd om de verwachte inflatiedynamiek beter te begrijpen. De rode lijn toont de prijsevolutie van Brent-olie in USD. De verleiding is groot om te concluderen dat de daling van de inflatieverwachtingen tussen september vorig jaar en januari 2015 in hoge mate samenhing met de aanzienlijke daling van de olieprijs. De derde lijn, namelijk die van de wisselkoers EUR/USD die op de geïnverteerde schaal rechts te zien is, leek tijdens deze periode geen impact te hebben: de lijn ging omhoog naarmate de euro verzwakte, maar de inflatieverwachtingen gingen omlaag. Op 22 januari 2015 kondigde de ECB het begin van een QE-programma aan en de inflatieverwachtingen maakten een sprong. Vervolgens bewogen de euro en de inflatieverwachtingen evenwijdiger. De positieve correlatie tussen een hogere verwachte inflatie en een zwakkere euro is verre van volmaakt (met zelfs een tijdelijke onderbreking in april), maar in de voorbije maanden is ze sterker dan die tussen de olieprijs en de inflatieverwachtingen. De aanzienlijke verzwakking van de euro tegenover de dollar sinds oktober ging hand in hand met een vrij sterke stijging van de op de markt gebaseerde inflatieverwachtingen.

Twee conclusies dringen zich hierbij op:

  1. niet langer de olieprijs, maar veeleer de wisselkoers lijkt nu ‘achter het stuur te zitten’ en de inflatieverwachtingen voor de eurozone te bepalen
  2. de evolutie van de euro hangt in hoge mate af van de verwachtingen voor het beleid van de ECB (en natuurlijk ook van de Fed). Vandaar het belang van een ECB die de daad bij het woord voegt en haar belofte van meer versoepeling nakomt om zo via een zwakkere euro een stijging van de op de markt gebaseerde inflatieverwachtingen te ondersteunen. Dit zou uiteindelijk een positieve impact op de gerealiseerde inflatie moeten hebben.