Economische handboeken leren ons dat markten onzekerheid haten. Onzekerheid zorgt voor een volatiel koersverloop en, voor beleggers die op de rollercoaster van fluctuerende onzekerheid hebben gezeten, komt de beloning pas wanneer die onzekerheid verdwijnt. Afgaande op het marktgedrag sinds het begin van het jaar zouden we haast durven concluderen dat de handboeken moeten worden herschreven. De week waarin de spanningen tussen de VS en Iran hoog opliepen, sloten de markten hoger af. Later in januari veroorzaakte het coronavirus een dip op Wall Street maar sindsdien werden nieuwe records gevestigd. Houdt dit steek of is het een illustratie van extreme zelfgenoegzaamheid? De zeer zwakke en kortstondige reactie op de toenemende geopolitieke spanningen begin januari weerspiegelde een visie dat het risico op een escalatie zeer klein was, wat werd bevestigd door de beperkte vergelding door Iran. De reactie op de uitbraak van het coronavirus valt moeilijker te verklaren. Per slot van rekening bestaat er een brede consensus dat de impact op de Chinese groei groter zal zijn dan bij de SARS-epidemie in 2003, toen in het tweede kwartaal de BBP-groei met 2% op jaarbasis daalde tegenover het vorige kwartaal, van 11% naar 9%. In het derde kwartaal bedroeg de groei opnieuw 10%. De impact op de wereldeconomie zou ook groter moeten zijn aangezien de voorbije tien jaar ongeveer 25% van de wereldgroei van China kwam. De klap die het toerisme krijgt, is nog een ander kanaal van wereldwijde spill-overeffecten. Tot slot is er ook de impact op de aanbodzijde van de economie, met de ongerustheid dat autofabrieken in Europa hun productie misschien zullen moeten stilleggen bij gebrek aan reserveonderdelen uit China. Niettemin heeft Wall Street nieuwe recordhoogtes bereikt en indexen in Europa hebben het ook goed gedaan.

Een factor die een rol speelt, is afstand, of meer bepaald de visie dat de impact voor Amerikaanse of Europese bedrijven, gemiddeld gezien, eerder beperkt zou moeten zijn, zeker in vergelijking met wat in China gebeurt. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de aandelenindexen in China en Hongkong sinds het begin van het jaar behoorlijk lager noteren. De verwijzing naar ‘gemiddeld’ herinnert ons eraan dat we de situatie genuanceerd moeten bekijken: de sectoreffecten zijn net als de bedrijfsspecifieke effecten groot, al naargelang de exposure aan China als exportbestemming of als inbreng van intermediaire inputs in de wereldwijde waardeketen. Interessant is dat de grondstoffenprijzen (olie, koper) na een forse daling amper zijn opgeveerd. De rendementen op Amerikaans staatspapier zijn nog altijd lager dan vóór de uitbraak van het virus. Dit wijst erop dat bezorgdheid nr. 1 voor beleggers in bepaalde activaklassen nog steeds de groei is. Het gedrag van Amerikaanse en Europese aandelen kan ook de visie weerspiegelen dat de bedrijfsenquêtes vóór de epidemie in feite iets aan het verbeteren waren, en zo een verwachting hadden gecreëerd dat de groei op kwartaalbasis zich in de loop van het jaar zou herstellen. Als we de epidemie als een tijdelijke schok bekijken, onderschrijft dat een visie dat het, ten eerste, binnen enkele weken hopelijk weer ‘business as usual’ zal zijn en dat er, ten tweede, nog tijd zal zijn om posities aan te passen, d.w.z. aandelen te verkopen, mocht de epidemie langer dan verwacht duren met schadelijke effecten voor vertrouwen en groei tot gevolg. Kortom, die gedachtegang weerspiegelt een verkorting van de beleggingshorizons. Lage rentes spelen hier een rol en creëren een ‘fear of missing out’, namelijk de angst om de aandelenrally te missen.

First published in the AGEFI Luxembourg  February issue