Volgens Eurostat is de CO2-uitstoot door de verbranding van fossiele brandstoffen in de Europese Unie in 2018 met 2,5% gedaald ten opzichte van het jaar ervoor. Dit is de voortzetting van een langetermijntrend: uit berekeningen van het Internationaal Energieagentschap blijkt dat de uitstoot in de EU28 tussen 1990 en 2016 met 20,7% is gedaald. Aangezien de economische activiteit in die periode aanzienlijk is toegenomen, is de koolstofintensiteit met 48,7% verminderd[1]. Zoals blijkt uit de eerste grafiek zijn er echter grote verschillen van land tot land. In Letland, Malta en Estland is de uitstoot sterk gestegen, terwijl die in Portugal, Bulgarije, Ierland en Duitsland aanzienlijk is gedaald.

CO2 emissions vs real GDP

Verschillen in de groei van het reële bbp spelen tot op zekere hoogte een rol (er is een statistisch significant verband tussen groei en verandering in uitstoot), maar er moet worden benadrukt dat landen waar de uitstoot is gedaald, wel gekenmerkt werden door een positieve groei, wat impliceert dat de CO2-emissie-intensiteit van de economische activiteit verder is afgenomen.

De lage R2 van de regressie herinnert ons eraan dat uitstoot door tal van factoren wordt beïnvloed: weersomstandigheden, binnenlandse productie tegenover import (als er meer elektriciteit wordt geïmporteerd, daalt de uitstoot in het importerende land), de mix van primaire energiebronnen (alternatief, fossiel, nucleair), de grootte van de bevolking, de transportinfrastructuur, enz. Ook het niveau van economische ontwikkeling uitgedrukt als bbp per hoofd van de bevolking speelt een rol, zoals weergegeven in de tweede grafiek. Naarmate mensen rijker worden, neemt de CO2-uitstoot per hoofd van de bevolking door de verbranding van fossiele brandstoffen toe.

UE CO2 emissions

Toch blijkt uit de spreiding, voor een bepaald niveau van het bbp per hoofd van de bevolking, dat er ook andere factoren meespelen, bijvoorbeeld het gebruik van steenkool dan wel kernenergie als primaire energiebron. Naarmate landen rijker worden, treden er bovendien veranderingen op in de bijdrage van de toegevoegde waarde van elke sector tot het BBP, en wordt de dienstensector doorgaans belangrijker. Aangezien de industrie een grotere CO2-voetafdruk heeft dan de dienstensector, verklaart dit misschien, zoals blijkt uit grafiek 3, waarom er een negatieve correlatie is tussen het bbp per hoofd van de bevolking en de CO2-uitstoot per eenheid bbp.

Omdat er zoveel uiteenlopende factoren zijn die bepalend zijn voor de koolstofvoetafdruk van een land, is het voor beleidsmakers allicht een hele uitdaging om greep te krijgen op de opwarming van de aarde en een evenwicht te vinden tussen de energieonafhankelijkheid van een land, de veiligheid, de emissies en de kosten van verandering, terwijl ze er tegelijkertijd ook rekening mee moeten houden dat wind- en zonne-energie niet doorlopend beschikbaar zijn. Het lijdt echter geen twijfel dat er aanzienlijke vooruitgang moet worden geboekt, zoals blijkt uit het verzoek van acht landen (België, Denemarken, Frankrijk, Luxemburg, Nederland, Portugal, Spanje en Zweden) aan de EU-lidstaten om tegen 2050[2] een nettonuluitstoot te bereiken.

[1] Berekend als de verhouding tussen de uitstoot van CO2 door de verbranding van brandstoffen en het reële bbp. Bron: Internationaal Energieagentschap, CO₂-uitstoot door de verbranding van brandstoffen – hoogtepunten (versie van 2018)

[2] Eight nations push for net-zero emissions in bloc by 2050, Financial Times, 8 mei 2019