Op 17 januari publiceerde The Wall Street Journal de ‘Verklaring van economen betreffende dividenden op basis van koolstofdividenden’[1]. De publicatie kreeg heel wat weerklank, al was het maar vanwege de indrukwekkende lijst van ondertekenaars[2]. Zij oordelen dat een koolstofbelasting het meest kostenefficiënte instrument is om de CO2-uitstoot in voldoende mate en snel genoeg terug te dringen, dat dit minder efficiënte regelgevingen moet vervangen en dat de belasting elk jaar omhoog moet tot we de uitstootdoelstellingen hebben behaald.

Die geleidelijke aanpak moet de huishoudens en bedrijven wat tijd gunnen om hun gedrag aan te passen en de nodige investeringen te financieren (verwarming, vervoermiddelen, productieprocessen). De regeling houdt in dat de cumulatieve verhoging van de koolstofbelasting zou afhangen van de prijsgevoeligheid van de vraag naar koolstofrijke goederen en diensten. Hoe hoger die gevoeligheid, hoe lager de vereiste verhoging van de koolstofbelasting.

In het beste geval wordt die benadering wereldwijd ingevoerd, maar uit ervaring weten we hoe lastig het is om een brede overeenkomst te bereiken waar iedereen zich bovendien aan houdt[3]. Anders gezegd: landenspecifieke maatregelen kunnen het concurrentievermogen van bedrijven uit die landen uithollen en andere landen aanzetten om helemaal niets te doen.

Om dat coördinatieprobleem aan te pakken, roepen de ondertekenaars op om een systeem van importheffingen en exportsteun toe te passen waarbij de export naar landen die geen koolstofbelasting heffen een korting geniet, terwijl de import uit die landen bij aankomst wordt belast.[4],[5]. Een punt van zorg is echter dat andere landen een koolstofbelasting op de import als een protectionistische maatregel kunnen zien die in feite nog weinig met de klimaatverandering te maken heeft waardoor ze mogelijk vergeldingsmaatregelen treffen.

De ondertekenaars pleiten bovendien voor een inkomensneutraal systeem om geruzie over de omvang van de overheidssector te voorkomen. Om die reden moeten volgens hen “alle inkomsten direct naar de Amerikaanse burgers terugvloeien via evenredige forfaitaire kortingen” of zogeheten koolstofdividenden. Aangezien de CO2-voetafdruk van rijkere huishoudens doorgaans groter is dan die van minder welgestelde huishoudens, kan een evenredige forfaitaire korting het beschikbare inkomen van de tweede categorie doen stijgen doordat de forfaitaire korting (het bedrag dat ze ontvangen als koolstofdividend) hoger uitvalt dan de koolstofbelasting die ze betalen. Dat kan voor hen een stimulans zijn om in energie-efficiëntie te investeren of het hen minstens makkelijker maken om dat te doen.

Je zou echter ook kunnen stellen dat die inkomensneutraliteit afhangt van je invalshoek. Als overheid kun je ervan uitgaan dat je een grote rol te spelen hebt in de bevordering van energie-efficiëntie en dus (een deel van) de inkomsten uit de koolstofbelasting mag gebruiken om eigen groene investeringen (bijv. energie-efficiënte oplossingen voor openbare gebouwen en scholen) te financieren. Je zou bij het gebruik van de inkomsten uit milieubelastingen echter ook rekening kunnen houden met de impact ervan op de inkomensverdeling door bijvoorbeeld investeringen voor energie-efficiëntie van huishoudens met een beperkt inkomen te subsidiëren.

Die alternatieven zijn duidelijk minder makkelijk uit te leggen dan een forfaitaire korting voor elk huishouden. De aanbevelingen van de verklaring van de economen hebben de verdienste dat ze de vaak complexe bestaande regelgevingen vervangen. Bovendien wijzen ze de richting naar een mogelijk aanzienlijke vooruitgang in de beperking van de CO2-uitstoot op initiatief van een enkel land. Zo zou er minder tijd verloren gaan aan de aanpak van internationale coördinatieproblemen, met het bijkomende voordeel dat ze rekening houden met de spreiding van die belasting over de verschillende inkomensgroepen.

[1] https://www.clcouncil.org/economists-statement/

[2] Onder de ondertekenaars treffen we vier voormalige voorzitters van de Federal Reserve, 27 winnaars van de Nobelprijs voor economie, 15 voorzitters van de Council of Economic Advisers en twee voormalige Amerikaanse ministers van financiën.

[3] De beslissing van Donald Trump in juni 2016 om de VS terug te trekken uit de COP21-overeenkomst van Parijs is slechts één van de vele voorbeelden van mogelijk problemen die een gecoördineerde wereldwijde benadering kan meebrengen.

[4] Climate Leadership Council, The conservative case for carbon dividends, februari 2017. De formulering van de verklaring doet denken aan de “destination-based border-adjusted cash flow tax” (een heffing over de kasstroom met een bestemmingslandbeginsel), een voorstel van de Republikeinen aan het Huis van Afgevaardigden uit 2017 dat neerkwam op een combinatie van een exportsubsidie en een importbelasting.

[5] Dit wordt ook besproken in het artikel ‘Getting to a low carbon economy’ van Raymond Van der Putten dat in Conjoncture (BNP Paribas) dat binnenkort zal verschijnen.