Sinds begin 2018 zijn de bedrijfspeilingen wereldwijd fors gedaald vanaf een hoog niveau. Grafiek 2 illustreert die wereldwijde afkoeling van de economische temperatuur. De grafiek toont een heatmap op basis van de inkoopmanagersindex (PMI) voor de verwerkende industrie van Markit. Ligt die ver boven de 50, dan is de groei robuust. Een cijfer onder dat niveau wijst op een kil of zelfs koud klimaat. Grafiek 3 geeft vergelijkbare informatie voor de component ‘nieuwe exportorders’ in de PMI-peiling.

 

 

PMI Markit

Uit een vergelijking van grafiek 2 en 3 blijkt dat de beoordeling van de exportorders één jaar geleden doorgaans wat minder optimistisch was dan het totale PMI-cijfer. Dat laatste cijfer bleef langer dan de exportorders op een hoog niveau. Tot slot verslechterden de vooruitzichten voor de export aanzienlijk in meerdere landen uit de eurozone (Frankrijk, Duitsland, Italië, Oostenrijk) en in de eurozone als geheel.

Grafiek 1 toont de cijfers vanuit een andere invalshoek, met op de horizontale as de wijziging van de PMI van de verwerkende industrie vergeleken met een jaar geleden en op de verticale as de wijziging in de reeks van de nieuwe exportorders. In een land dat zich onder de diagonaal bevindt, zijn de exportorders sterker gedaald dan de globale PMI. Mogelijk wijst dat op een schok in de buitenlandse vraag in dat land. De meeste landen verkeren in die situatie en een aantal ervan bevindt zich ver onder de diagonaal (Oostenrijk, Nederland, Polen, Japan, enz.). Landen zoals Italië en Turkije liggen boven de diagonaal. Daar was de binnenlandse schok nog sterker dan de buitenlandse. Italië kwam in de tweede helft van vorig jaar in een recessie terecht. De fors stijgende Italiaanse obligatierentes hebben daar hoogstwaarschijnlijk een rol in gespeeld, zowel direct (duurdere financiering) als indirect (als weerspiegeling van hogere landenspecifieke onzekerheid rond de overheidsfinanciën).

Turkije kreeg vorige zomer te maken met sterke spanningen in de financiële markten en met fors stijgende inflatie en rentes waardoor het land eveneens in een recessie is beland. Australië is een interessant geval: de PMI verzwakte er wat, maar het exportsentiment wijzigde amper. Ook hier waren er dus binnenlandse factoren aan het werk.

In Grafiek 1 zijn bovendien twee clusters omcirkeld. De cluster rechtsboven bevat landen waar de wijzigingen in de PMI en de exportorders bescheiden en soms zelfs positief waren. De cluster linksonder bevat landen waar beide reeksen aanzienlijk daalden. Het merendeel van die landen is lid van de eurozone. Het intense handelsverkeer tussen EU-landen impliceert inderdaad dat negatieve schokken van het ene op het andere land kunnen overslaan. Zo gaat bijna 30% van de Oostenrijkse export en 24% van de Nederlandse handel richting Duitsland. Zij hadden dus in de tweede helft van 2018 sterk te lijden van de afwezigheid van groei in Duitsland.

De veel slechtere beoordeling van de component ‘exportorders’ in veel landen weerspiegelt in feite de sterk terugvallende groei van de handelsvolumes wereldwijd. Dat houdt op zijn beurt waarschijnlijk verband met de tragere groei in China. Andere factoren die in veel landen een rol kunnen spelen zijn de tragere bruto-investeringen in vaste activa (deze hebben immers een hogere import-inhoud dan de gezinsconsumptie) en de onzekerheid over de handelsrelaties.