Alle ogen zijn opnieuw gericht op de ‘kleine onenigheid’[1] over handel tussen de VS en China. Dat was eerder al het geval en leidde toen tot chaos op de financiële markten. Pas toen Donald Trump en Xi Jinping in december van vorig jaar, tijdens de G20 in Buenos Aires, een wapenstilstand sloten, verdween het conflict wat naar de achtergrond. Beleggers hopen uiteraard vurig en met groeiend ongeduld dat er tijdens de G20 in Osaka op 28 en 29 juni een nieuw gesprek met hetzelfde resultaat komt. De zwakke cijfers die afgelopen week in China en de VS verschenen (zowel de detailhandelsomzet als de industriële productie stelde teleur), tonen aan dat geen van beide partijen in de onderhandelingen kan terugvallen op een hoogconjunctuur. Zoals eerder al gezegd was de groei in de VS in het eerste kwartaal solide, maar van mindere kwaliteit[2], terwijl China in diezelfde periode alleen beter presteerde dan verwacht omdat het genoeg maatregelen had genomen om de vertraging te stuiten.

Invoerrechten hebben per definitie een negatief effect op het geviseerde land: ze doen de exportvolumes en/of winstmarges afnemen[3]. Tegenmaatregelen treffen dan weer het land dat als eerste de tarieven verhoogde, terwijl derde landen hinder kunnen ondervinden van veranderende handelsstromen. En zelfs als een reactie uitblijft, zijn er negatieve gevolgen voor het land dat het conflict begon.

Er zijn ook gevolgen voor de Amerikaanse huishoudens: tenzij de prijselasticiteit van hun vraag extreem groot is, verliezen zij koopkracht doordat invoer uit China duurder wordt. Overstappen op in de VS geproduceerde consumptiegoederen zou een soortgelijk effect hebben: die waren sowieso al duurder dan invoer uit China en een toename van de binnenlandse vraag kan Amerikaanse producenten ertoe verleiden hun prijzen te verhogen. Dan moet de Amerikaanse consument zelfs voor andere, goedkopere merken kiezen om zijn koopkracht te vrijwaren, waardoor zijn tevredenheid afneemt.

Voor Amerikaanse bedrijven kunnen hogere invoerprijzen de omzetvolumes onder druk zetten en duurdere half afgewerkte producten de winstmarges drukken. Hierdoor moeten ze misschien hun mondiale productieketens veranderen – door van China naar pakweg Vietnam of Mexico te verhuizen, bijvoorbeeld – maar dat gaat gepaard met opportuniteitskosten: voor hetzelfde geld hadden ze kunnen investeren in productiviteitsverbeteringen. Wanneer de vraag verschuift naar binnenlandse producten, kunnen aanbodtekorten tot stijgende lonen en hogere prijzen leiden. Als de winst onder druk komt, kan bovendien het risicoprofiel van bedrijven verslechteren, waardoor hun financieringskosten toenemen. Sleept de onzekerheid over de invoerrechten tot slot lange tijd aan, dan verzwakt ook de groei.

Al die theoretische relaties zijn aangetoond via empirisch onderzoek. Volgens Amiti et al.[4] kostten de vorig jaar ingestelde invoerrechten ‘Amerikaanse consumenten en bedrijven die buitenlandse goederen invoeren 3 miljard USD per maand extra aan belastingen en nog eens 1,4 miljard dollar per maand aan welvaartsverlies door inefficiëntie.[5] Uit onderzoek van de ECB blijkt dat bedrijven buiten de financiële sector uit de Dow Jones Euro Stoxx 300-index die hinder van de invoerrechten ondervinden, hun investeringen hebben teruggeschroefd: de verhouding tussen investeringen en nettoactiva daalde, terwijl ze steeg bij bedrijven die van de invoerrechten profiteerden[6]. Onderzoek door Kyle Handley en uno Limão toont aan dat de toetreding van China tot de Wereldhandelsorganisatie in 2001 de onzekerheid over het Amerikaanse handelsbeleid deed afnemen, wat Chinese bedrijven stimuleerde om te investeren in technologische verbeteringen en toegang tot de Amerikaanse markt[7]. Het lijkt aannemelijk dat Amerikaanse bedrijven in het licht van langdurige onzekerheid over de invoerrechten niet anders zouden reageren dan Europese of Chinese.

HANDELSSESSIES OP DE AANDELENMARKTEN

[1]Trump calls trade war with China ‘little squabble’”, Reuters, 14 mei 2019.

[2] VS: sterke groei, maar twijfels over de kwaliteit, BNP Paribas, EcoWeek nr. 19-18, 3 mei 2019.

[3] De winstmarges dalen wanneer exportbedrijven die invoerrechten opgelegd krijgen, beslissen om hun prijzen te verlagen. Een verzwakking van hun munt zou de gevolgen temperen, maar ingevoerde grondstoffen zouden duurder worden en de winstmarges doen slinken.

[4] Mary Amiti, Stephen J. Redding en David Weinstein, The impact of the 2018 trade war on US prices and welfare, National Bureau of Economic Research, working paper 25672, maart 2019 – eigen vertaling.

[5] Het welvaartsverlies slaat op de verstorende invloed van de invoerrechten op de keuze van de consument tussen binnenlandse en ingevoerde producten.

[6] ECB, The economic implications of rising protectionism: a euro area and global perspective, Vanessa Gunnella en Lucia Quaglietti, ECB Bulletin 3/2019.

[7] Kyle Handley en Nuno Limão, Policy Uncertainty, Trade, and Welfare: Theory and Evidence for China and the United States, American Economic Review 2017, 107(9).