shanghai

De inkoopmanagersindices van zowel de eurozone, China als het Verenigd Koninkrijk gingen in februari onderuit. In de Verenigde Staten steeg de index, maar in de maakindustrie bleef hij wel onder de grens tussen groei en krimp die is vastgesteld op 50. Dit zijn slechts een handvol cijfers die illustreren dat de wereldeconomie vorige maand vaart minderde. De Verenigde Staten, de eurozone en het Verenigd Koninkrijk proberen zich staande te houden ondanks de tegenwind afkomstig van de trendmatige daling in China, de recessie in Rusland en Brazilië, de druk op de olieproducenten en vragen rond het schuldniveau van de bedrijven in de opkomende markten, maar de onzekerheid blijft een feit. De OESO stelde zijn groeiverwachtingen voor de wereldeconomie, de VS, Europa en tal van andere landen naar beneden bij. Na de G20 in Shanghai benadrukte Christine Lagarde van het IMF de “onzekerheid en de de steeds grotere dalingsdruk die het wereldwijde economische herstel op de helling zet en om nationale en internationale maatregelen vraagt”. Er werd gewag gemaakt van infrastructuurprojecten, maar daar is slechts weinig ruimte voor in de begrotingen. Ook structurele hervormingen kwamen ter sprake, maar de omzetting daarvan vergt tijd. Alle heil moet dus onvermijdelijk weer van de klassieke recepten komen, met andere woorden van het monetaire beleid. De agenda voor de eerste helft van maart zit behoorlijk vol: vergaderingen van de ECB op 10 maart, van de Bank van Japan (BoJ) op 14 en 15 maart en van de Federal Reserve op 15 en 16 maart. Bovendien houdt China deze week zijn 12e Nationale Volkscongres dat opheldering moet brengen over de groeidoelstellingen, de initiatieven om die te behalen en om de economie te herstructureren enz. Gelet op het belang van het land voor de wereldeconomie en – zoals we in de zomer van 2015 nog konden vaststellen – voor het marktsentiment, kunnen we alleen maar hopen dat er heldere en overtuigende verklaringen komen, ook al valt moeilijk te voorspellen welke vorm die zullen aannemen. Voor de BoJ is het minder koffiedik kijken. Zij voerde pas enkele weken geleden een negatieve depositorente in, waardoor een status quo in afwachting van de reactie van de markten en de economie voor de hand ligt. De uitkomst van de vergadering van de Federal Reserve is een stuk moeilijker te voorspellen. Hoewel de rust op de beurzen wat is teruggekeerd, gelooft de obligatiemarkt niet in een verkrapping (wij overigens ook niet), maar de spanning blijft te snijden. Zal Janet Yellen aanwijzigingen prijsgeven over haar plannen voor de volgende maanden en de dooddoener dat alles van de economische cijfers afhangt achterwege laten? Ik vrees van niet. En dan is er nog de ECB. Zij staat voor het lastigste parket, niet omdat ze als eerste haar beslissing moet bekendmaken, maar omdat de verwachtingen zo hooggespannen zijn dat het moeilijk wordt om de markt nog in positieve zin te verrassen wat op zijn beurt op een stijging van de euro kan uitdraaien. Lastig is ook dat ze wel moet handelen nu de inflatie uitblijft en de inflatieverwachtingen dalen, terwijl de negatieve depositorente veel kritiek krijgt en een uitbreiding van de aankopen van staatspapier eveneens zijn grenzen heeft. Op 10 maart kennen we het antwoord.