Het is verleidelijk te stellen dat de piek van de onzekerheid achter ons ligt. Twee weken geleden hebben de Amerikaanse en Chinese onderhandelaars immers een tussentijdse overeenkomst bereikt, die hopelijk voor het einde van het jaar zal uitmonden in een heus handelsakkoord. Wat de brexit betreft, die een ernstige bron van onzekerheid is voor ondernemingen in het Verenigd Koninkrijk en Europa, lijkt het er nu op dat het risico van een vertrek uit de EU zonder akkoord aanzienlijk is geslonken. In beide gevallen zijn er echter redenen om het enthousiasme te temperen. De tussentijdse overeenkomst tussen de VS en China is maar van beperkte omvang en heeft voorlopig enkel voorkomen dat er nog meer heffingen werden ingevoerd. Het valt te betwijfelen of dat een noemenswaardige impact zal hebben op de economie. Waarschijnlijk zal de aandacht meteen verschuiven naar wat er daarna komt: meer dialoog of meer dreigementen? Op het brexitfront heeft de mogelijkheid dat er nieuwe verkiezingen komen, de onzekerheid weer aangewakkerd. Bij een uitstap met akkoord zal de onzekerheid verschuiven, want dan zal de aandacht verschuiven naar de onderhandelingen over de toekomstige relatie en de economische gevolgen daarvan.

Composite PMI

Handelsconflicten en de brexit zijn bronnen van exogene onzekerheid. Ze zijn niet te vergelijken met de gebruikelijke cyclische ontwikkelingen, maar ze kunnen wel zwaar op de groei wegen. Forse groeivertragingen zoals we sinds vorig jaar wereldwijd zien, veroorzaken onzekerheid van binnenuit. Er rijst twijfel over de waarde van businessplannen en groeihypothesen of over hoe slecht het uiteindelijk wel eens zou kunnen aflopen. Als dusdanig is dat inherent aan de economische cyclus. Exogene onzekerheid werkt negatief in op de interne en/of de externe vraag en kan de endogene onzekerheid op die manier versterken. Je zou verwachten dat een daling van de exogene onzekerheid de uitgaven zou stimuleren en de twijfels over de groeivooruitzichten zou doen afnemen, bijvoorbeeld door een inhaalbeweging in de vraag te veroorzaken. Ondernemingen die hun investeringsplannen in de koelkast hadden gestopt, zouden die zo uiteindelijk misschien toch doorvoeren wanneer de toekomstvooruitzichten wat duidelijker zijn. Maar zoals de zaken nu staan, zullen zij waarschijnlijk niet gehaast zijn: de wereldwijde groei vertraagt, het IMF noemt de vooruitzichten voor volgend jaar precair, de indexen voor de verwerkende industrie zijn in veel landen naar een zeer laag niveau gezakt en ook de dienstensector is uiteindelijk niet gespaard gebleven. In dat opzicht is de stabilisatie van de voorlopige samengestelde PMI’s voor oktober in de VS, de eurozone en Duitsland en de IFO-vertrouwensindex in Duitsland goed nieuws, maar dat neemt niet weg dat ze laag staan, of in het geval van Duitsland zelfs heel laag. Frankrijk, waar de samengestelde index is gestegen, is een welgekomen uitzondering. Nog een ontwikkeling die nauwlettend in het oog moet worden gehouden, is de voorlopende economische index van de Conference Board voor de VS. Die is namelijk al twee maanden op rij gedaald, zij het weliswaar in heel beperkte mate. Kortom, de onzekerheid heeft op sommige plaatsen haar hoogtepunt misschien achter zich, maar er kunnen andere onzekerheden opduiken. En ondertussen proberen de economische actoren de werkelijke toestand van de wereldeconomie te peilen.