Gezien het Chinese gewicht in de wereldeconomie is het cruciaal dat de gevolgen van het coronavirus voor de economische groei goed worden beoordeeld. Maar dat is ook een aartsmoeilijke opdracht. We beschikken nog niet over macro-economische gegevens die na de uitbraak werden verzameld. Het domino-effect van de verstoring van de supply chain maakt die beoordeling nog complexer. Daarnaast spelen er ook psychologische factoren: in hoeverre zal het gedaalde vertrouwen de uitgaven beïnvloeden, in China en daarbuiten? Naar de signalen van financiële markten kijken, helpt ook niet echt. Op Wall Street veroorzaakte de epidemie amper een rimpeling en de S&P 500 behaalde nieuwe recordhoogtes. Indexen in Europa deden het ook goed. Dat weerspiegelt waarschijnlijk een visie dat de productie en vraag zich snel zouden moeten herstellen en dat de fall-out voor Amerikaanse of Europese bedrijven, gemiddeld gezien, eerder beperkt zou moeten zijn. Voor Chinese bedrijven geldt uiteraard een ander verhaal. Dat verklaart waarom de index van Shanghai nog altijd lager staat dan vóór de crisis. De psychologie van individuele beleggers speelt ook een rol. De sterke daling van de grondstoffenprijzen (olie, koper) wijst op een verwachting dat de vraag naar grondstoffen sterk zal verminderen, grotendeels door China, maar vertelt ons weinig over wat we in de rest van de wereld kunnen verwachten. De rendementen op Amerikaans staatspapier zijn opgeveerd maar hebben zich nog niet volledig hersteld. De beoordelingen van de groeivooruitzichten door obligatie- en aandelenbeleggers komen dus niet echt overeen, hoewel de verwachting dat de Federal Reserve de rente indien nodig zal verlagen ook een rol kan spelen.

 

Market Developments (YTD)

 

De epidemie combineert een vraag-, aanbod- en vertrouwensschok. De aanbodschok beoordelen is bijzonder moeilijk door het gebrek aan data. Hij hangt af van de specifieke organisatie van waardeketens op bedrijfsniveau, van het voorraadniveau, van de (on)mogelijkheid om alternatieve bevoorradingsbronnen te vinden. Anekdotisch bewijs wijst op een aanzienlijke impact van de verstoring van de supply chain[1]. Wat de vraagschok in China betreft, is de opdracht niet echt gemakkelijker. Het bruto regionaal product van de provincie Hubei, het epicentrum van de epidemie, maakt 4,2 procent van het totale product van het land uit. In de realistische veronderstelling dat de activiteit aanzienlijk krimpt, komen we tot een niet te verwaarlozen impact op het land in zijn geheel, waaraan spill-overeffecten moeten worden toegevoegd: een daling van de vraag in Hubei leidt tot minder aankopen van goederen en diensten die in de rest van het land worden geproduceerd. Vertrouwenseffecten kunnen ook een rem vormen op de uitgaven in het hele land.

Als we naar de internationale repercussies kijken, blijkt uit IMF-onderzoek dat een daling van de Chinese groei met 1 procent een daling van de Europese groei op middellange termijn met 0,2 procent tot gevolg heeft[2]. Het cijfer voor de VS zou nog lager moeten zijn[3]. Voor Sub-Saharaans Afrika bedraagt de impact -0,7 procent, voor Azië ongeveer -0,3 procent en Latijns-Amerika en de Caraïben -0,4 procent[4]. Dan is er nog de impact van de grotere onzekerheid. Analytisch gezien plaatst ons dit voor twee uitdagingen: de toename in onzekerheid kwantificeren en de impact ervan ramen. Wat het eerste betreft, toont een recente analyse door de ECB[5] ons de ontwikkeling van economische onzekerheid en handelsgerelateerde onzekerheid sinds het midden van de jaren 90. Daarmee kan de impact van bepaalde gebeurtenissen (9/11, oorlog in Irak, soevereine schuldencrisis in de eurozone enz.) op onzekerheid worden gemeten. Met uitzondering van de val van Lehman Brothers komen de meeste schokken overeen met een verschuiving van de onzekerheidsmaatstaf met ongeveer een standaardafwijking. Dat vertelt ons uiteraard niet welke plaats het coronavirus precies inneemt tussen die gebeurtenissen, maar het laat wel een – weliswaar zeer subjectieve – vergelijking toe. De stijging van de onzekerheid zal zeer zeker afhangen van de economische exposure, en dus veel groter zijn in China dan in Europa. Uitgaande van een tijdelijke onzekerheidsschok voor de eurozone met één standaardafwijking zou de piekimpact op de groei circa -0,3 procent moeten zijn[6].

Ter afsluiting, voor sommige elementen hebben we een goed beeld van de omvang: internationale spill-overeffecten van de vraagschok, repercussies van de toenemende wereldwijde onzekerheid. De effecten van de verstoring aan de aanbodzijde zijn daarentegen veel minder duidelijk. En dat geldt zelfs nog meer voor de impact op China. Dat betekent dat op korte termijn de verrassingen van economische cijfers – het verschil tussen de consensusprognose en het werkelijke resultaat – groter zouden moeten zijn dan normaal, wat een bron van marktvolatiliteit zou moeten zijn. Het zou bedrijven zelfs kunnen aanzetten om een afwachtende houding aan te nemen tot de situatie helderder wordt. Als de piek van de epidemie snel wordt bereikt, zou het duidelijker moeten worden hoe vraag en activiteit gaan evolueren en dat zou het vertrouwen moeten ondersteunen.

[1] Alibaba chief blames spread of virus for disruption to staffing and deliveries, Financial Times, 14 februari 2020.

[2] Bron: China spillovers. New Evidence from Time-Varying Estimates, Davide Furceri, João Tovar Jalles, and Aleksandra Zdzienicka, IMF Spillover Note 7, 2016

[3] Het IMF-onderzoek geeft geen cijfers voor de VS. Een ander onderzoek berekent evenwel het effect op het exportniveau van een vraagschok van 1 procent in China. Voor de VS komt dat overeen met ongeveer 0,4 procent, net als voor Duitsland maar meer dan voor de EU (bron: Spillover implications of China’s Slowdown for International Trade, Patrick Blagrave and Esteban Vesperoni, IMF Spillover Note 4, 2016).

[4] Dat heeft te maken met de impact op de export van grondstoffen (koers- en volume-effect).

[5] Box 1. Tracking global economic uncertainty: implications for global investment and trade, ECB Economic Bulletin, 1 2020. De meting door de ECB van economische onzekerheid is gebaseerd op de prognosefouten van modellen voor een ruim aantal economische variabelen voor zestien handelspartners van de eurozone, die samen goed zijn voor ongeveer 70 procent van het BBP wereldwijd.

[6] Bron: Box I.1: The economic impact of uncertainty assessed with a BVAR model, Europese Commissie, Europese Economische Prognoses, lente 2017