Halloween is big business. De US National Retail Federation verwacht dat de Amerikaanse consumenten dit jaar 8,8 miljard dollar zullen uitgeven aan Halloween-artikelen zoals kostuums, snoep, decoraties en wenskaarten. De cijfers zijn enorm, maar zijn niet vrijgesteld van wat er in de algemene economie gebeurt. De vertragende groei lijkt een invloed te hebben op de uitgaven voor Halloween, omdat de plannen van dit jaar gedaald zijn tegenover de 9 miljard dollar van vorig jaar en het record van 9,1 miljard dollar dat in 2017 werd gehaald. Consumenten die werden bevraagd over hun winkelintenties uitten hun bezorgdheid over de handelsoorlog met China, hoewel de Halloween-goederen al voor de laatste tariefverhoging waren ingevoerd.

US consumers confidence

Halloween gaat, tot op zekere hoogte, over mensen bangmaken: miljoenen volwassenen vermommen zich als heks, vampier, piraat of zombie. Blijkbaar is bangmakerij iets wat heel wat mensen leuk vinden: 22% van de respondenten is van plan een spookhuis te bezoeken. Net zoals bij kinderen die aan elk huis aanbellen voor een snoepje, is dat niet meer dan een spelletje, dus de angst blijft niet lang hangen. Hoewel het verleidelijk is om een analogie te zoeken tussen de gebruiken met Halloween en de handelsgesprekken (dreigen om iets terug te krijgen), is het grote verschil dat niemand een idee heeft hoe lang het spelletje van de handelsgesprekken nog zal duren. De angst en onzekerheid kunnen aanhouden, waardoor de vraag rijst of alles weer snel in zijn plooi zal vallen wanneer het stof eenmaal gaat liggen. Of anders gezegd: hebben schokken door onzekerheid symmetrische of asymmetrische effecten?

Intuïtief zou je dat laatste verwachten: de economische spelers mijden risico’s en zullen vermoedelijk voldoende bewijs willen dat de nare tijd echt helemaal achter de rug is. Dat wordt bevestigd door de grafiek, die cyclische stijgingen en dalingen van het Amerikaanse consumentenvertrouwen vertoont. Gemiddeld duurt het echter ongeveer 6 maanden om van 1,6 naar 1 te zakken en zo’n 10 maanden om weer naar 1,6 te gaan.

Paul Jones en Walter Enders hebben de (a)symmetriekwestie nader onderzocht[1]. De auteurs keken naar een aantal vlagen van onzekerheid die zich tijdens de recente financiële crisis hebben voorgedaan. Zij stellen vast dat een toename van de onzekerheid een grotere impact heeft op de economie dan een daling. Bovendien hangt de grootte van het verschil af van de cyclische omgeving. En dat is niet bepaald een verrassing: wanneer de groei sterk staat, zullen economische spelers beter om kunnen met een toename van de onzekerheid, want zelfs als we rekening houden met de vertraging die eruit voortvloeit, zal de groei nog altijd op een bevredigend niveau zitten. De situatie is totaal anders wanneer de groei al zwak was wanneer de onzekerheid toeslaat. Als we de inzichten van dat onderzoek toepassen op de huidige omgeving, kunnen we stellen dat de toegenomen onzekerheid over de importheffingen en de brexit een groter effect heeft gehad op de economie, omdat de groei al aan het vertragen was. De aanhoudende onzekerheid heeft de situatie duidelijk verergerd. Het spreekt voor zich dat een duidelijk, geloofwaardig en duurzaam einde aan die onzekerheid bijzonder welkom zou zijn. En zelfs dan impliceert de asymmetrische aard van die vlagen van onzekerheid dat de groei zich maar geleidelijk zou herstellen.

[1] The asymmetric effects of uncertainty on macroeconomic activity, Paul M. Jones en Walter Enders, Macroeconomic Dynamics, 20, 2016.