Net als het IMF en voorspellers uit de privésector heeft de Europese Commissie haar groeivooruitzichten voor de eurozone in 2019 verlaagd. Ze verwacht nu dat het bbp met 1,3% groeit, terwijl ze in een eerdere voorspelling nog van 1,9% uitging. Dat grote verschil is onder meer ingegeven door de handelsspanningen, de tragere buitenlandse groei, vooral in China en de onzekerheid over de brexit.

Geheel toevallig verlaagde ook de Bank of England (BoE) precies op dezelfde dag dat de Commissie de Winter Forecast publiceerde haar prognose voor de Britse groei in 2019 van 1,7% naar 1,2%, het zwakste niveau sinds 2009. De kosten verbonden met de onzekerheid over de brexit komen steeds duidelijker bovendrijven. Dat de verwachtingen naar beneden werden bijgesteld, was helemaal geen verrassing. De peilingen dalen immers al maanden op rij.

Dat blijkt uit de grafieken met de ontwikkeling van drie belangrijke indicatoren voor de eurozone: de index van het economisch sentiment (ESI) van de Europese Commissie, de inkoopmanagersindex (PMI) voor de verwerkende industrie van Markit en de IFO-index van het economische klimaat die het sentiment van economische experts weerspiegelt. Een andere mogelijke verklaring voor de neerwaartse bijstellingen is dat de verwachtingen gewoon te hooggespannen waren: eind 2017 nam de bezorgdheid over een eventuele kloof tussen de zachte cijfers (peilingen) en de harde cijfers (bbp) toe. Om dit te beoordelen gaan we uit van de geschatte BBP-groei, die we bepaalden op basis van de historische relatie tussen de peilingen en het gerealiseerde bbp. Uit grafiek 1 blijkt inderdaad dat de ESI van de Europese Commissie de groei in 2017 en 2018 had overschat.

Eurozone. Economic growth and sentiment (ESI).Een vergelijkbare conclusie dringt zich op voor de PMI (grafiek 3) hoewel die kloof nu gedicht is. De IFO-indicator lag vrijwel in lijn met de feitelijke groei in 2018 (grafiek 5).

Eurozone: Economic growth, PMI manufacturing and IFO index

Die verbanden helpen ons om de recente cijfers van de peilingen in perspectief te plaatsen. De ESI mag dan wel sinds eind 2017 zijn gedaald, hij ligt wel nog altijd op een vrij hoog niveau. Omdat deze peiling echter recent doorgaans van een te hoge groei uitging, is euforie over het huidige hoge niveau waarschijnlijk misplaatst. Nadat hij aanzienlijk was gedaald, heeft de IFO-index nu een bijzonder laag niveau bereikt wat aan het begin van dit jaar niet veel goeds voor de groei voorspelt. Kanttekening daarbij is dan weer dat zijn huidige niveau vergelijkbaar is met een peil dat we voor laatst tijdens de staatsschuldencrisis van de eurozone hebben gezien. De determinanten van de eindvraag en de financiële en monetaire voorwaarden waren er destijds veel erger aan toe dan vandaag. Dit voedt de hoop dat het sentiment stabiliseert, al moet daarvoor vooral eerst de externe tegenwind (brexit, handel, China) gaan liggen. Vermeldenswaard is tot slot dat uit recent onderzoek van de BoE blijkt “dat in periodes met veel onzekerheid het verband tussen de antwoorden op de peilingen en de bbp-groei verzwakt[1]. In dit opzicht moeten we dus in de huidige erg onzekere tijden waarschijnlijk meer voorzichtigheid aan de dag leggen bij de interpretatie van de signalen uit de peilingen.

 

[1] Bank of England, Inflation Report februari 2019, p. 11