De recessie van 2020 is uniek van aard en, in de recente geschiedenis, van diepte. Volgens de meeste prognoses zou ze door een even uniek herstel moeten worden gevolgd. De eerste fase zou bijzonder sterk moeten zijn, wat wel begrijpelijk is aangezien ze wordt gestuurd door de versoepeling van de lockdownmaatregelen. Zo worden veel van de beperkingen die op de productie en uitgaven wegen, opgeheven. Opeenvolgende maandelijkse outputstijgingen leiden tot grote basiseffecten wanneer we groei in een welbepaald kwartaal vergelijken met het kwartaal voordien. Dit betekent dat na een topprestatie in het derde kwartaal, het vierde kwartaal zou moeten profiteren van dit overloopeffect. Hoewel de meeste bedrijven nagenoeg normaal draaien, zullen gerichte inperkingsmaatregelen en vraagtekorten waarschijnlijk tot in 2021 voortduren. Volgend jaar zal de groei vooral vraaggestuurd zijn, maar de verdere versoepeling van restricties kan misschien voor een extra impuls zorgen. In haar zomerprognose verwacht de Europese Commissie een sterke kwartaalgroei voor de eurozone volgend jaar. Hetzelfde geldt voor de consensusprognoses, hoewel ze minder sterk zijn dan de verwachtingen van de Commissie (grafiek 1). Dit verklaart grotendeels waarom de groei ruim boven zijn potentieel blijft[1], en ook de groeiprestaties overtreft die op een bepaald moment in de laatste 20 jaar werden gerealiseerd. Niettemin zou het bbp in het vierde kwartaal van 2021 nog altijd ruim onder het niveau liggen dat we zonder het coronavirus zouden hebben bereikt.

Sinds het einde van de jaren negentig hebben we maar een paar keer een kwartaalgroei van 0,9% of hoger gezien. Ze kunnen groeispurten worden genoemd met – behalve in 1999 – een zeer sterk kwartaal voorafgaan en gevolgd door een minder sterke prestatie (grafiek 2). Op basis van prognoses van de Commissie en van vele andere instellingen, lijken we af te stevenen op een echte groeimarathon van meerdere kwartalen met sterke groei. De vraag is dan ook welke bbp-componenten deze prestatie zullen sturen. Sinds 1999 leverden gezinsbestedingen (36%) en investeringen in vaste activa (28%) de grootste bijdrage aan kwartalen van sterke groei, ad hoc gedefinieerd als 0,6% of meer. Netto-uitvoer was goed voor 14%, veranderingen in voorraden voor 12% en bestedingen van de overheid voor 10%. Grafiek 3 toont ook de gemiddelde groei van de bbp-componenten evenals hun sterkste driemaandelijkse groei in een gegeven kwartaal. Welke argumenten, fiscale reflatie buiten beschouwing gelaten (het valt nog te bezien welk soort stimuli volgend jaar zullen worden geïmplementeerd), kunnen naar voren worden geschoven om deze prognoses te onderbouwen? Een kandidaat is de diepte van de recessie, maar dit is slechts semi-overtuigend. Na een zeer sterke heropleving zouden de traditionele bestedingsmotoren het moeten overnemen wat dan aanleiding geeft tot vragen als welke motoren en waarom.  Daarnaast kunnen gezinnen en bedrijven aan de diepe recessie littekens overhouden – zoals respectievelijk een hogere werkloosheid en hogere schuldenlast – waardoor ze minder geneigd zijn om geld uit te geven. Zolang er geen vaccin is, kan daarenboven een (zelfopgelegde) social distancing op bepaalde types gezinsuitgaven wegen terwijl bedrijven misschien liever wachten om grote investeringen aan te gaan. De specificiteit van de recessie, die het gevolg was van lockdownmaatregelen om de verspreiding van het virus in te dijken, vormt niettemin een goed argument voor een robuuste privéconsumptie. De door de lockdown veroorzaakte vraagdaling heeft tot gedwongen sparen geleid: gezinnen moesten meer sparen omdat ze niet zoals normaal konden winkelen. De onlineverkoop steeg wel maar kon de daling in de fysieke winkels niet compenseren. Als dit overschot aan spaargeld wordt aangesproken, kan de consumptie een aanzienlijke boost krijgen. Voor Frankrijk heeft het OFCE berekend dat gezinnen in acht weken lockdown 55 miljard euro gedwongen hebben gespaard. Dit komt overeen met 4,4% van de consumptieve eindbestedingen van huishoudens. Mochten gezinnen beslissen om hun overschot aan spaargeld te verminderen, zou de consumptiegroei duidelijk een sterke boost krijgen.[2] Of dat zal gebeuren, valt af te wachten. Een toenemende werkloosheid leidt traditioneel tot meer voorzorgsparen omdat de inkomensonzekerheid toeneemt. Dus lijkt het erop dat de arbeidsmarkt gaat bepalen hoe sterk de groei in de komende kwartalen zal zijn. Een forse verslechtering in de vooruitzichten zou betekenen dat het gedwongen sparen gedurende de lockdown zou veranderen in voorzorgsparen, met als gevolg groeiteleurstellingen en een negatieve terugkoppeling voor bedrijven en hun investerings- en aanwervingsbeslissingen. Dit verklaart waarom ondanks de sterke groeicijfers op korte termijn beleidsondersteuning noodzakelijk zal blijven om een zekere gerustheid te creëren over de werkgelegenheidsvooruitzichten.

Edito 20.27 

 

[1] De Europese Commissie raamt de groei op iets onder 1,5% (bron: Europese Commissie Herfstprognose 2019, p. 35).

[2] Dit kan worden geïllustreerd door de volgende eenvoudige berekening. In kwartalen met een sterke reële bbp-groei – gedefinieerd als minstens 0,6% groei tegenover het vorige kwartaal – bedraagt de niet-geannualiseerde consumptiegroei gemiddeld 0,7%. Op jaarbasis en met de consumptie van 2019 als uitgangspunt komt dit overeen met 35 miljard euro. In de veronderstelling dat de 55 miljard euro aan gedwongen spaargeld in één jaar wordt besteed, zou de consumptie in totaal met ongeveer 7% groeien. Met een consumptie die 54% van het Franse bbp uitmaakt, zou de consumptiegroei leiden tot ongeveer 3,8% reële bbp-groei in een gegeven jaar.