Crisissen confronteren economen met de tekortkomingen van hun modellen. In 2008 kwamen zij tot het besef dat de banksector, en meer bepaald de onderlinge verwevenheid van banken via ‘wholesale’-financiering, sterker moest worden vertegenwoordigd in de economische modellen. De COVID-19-pandemie herinnert ons eraan dat de aanbodzijde meer aandacht verdient bij de uitvoering van macro-economische analyses. Wat aanbodschokken betreft, worden doorgaans alleen grote veranderingen in de olieprijzen of technische innovatie in aanmerking genomen. Een ander punt van overeenkomst met de wereldwijde Bankencrisis is de vraag naar meer stresstests. Kort na de Bankencrisis hebben de banktoezichthouders een uitgebreid systeem ingevoerd. “Een stresstest houdt in dat op een object of systeem enorm veel druk wordt geplaatst om te testen hoe veerkrachtig het is onder extreme omstandigheden.”[1] Dit komt nagenoeg overeen met wat we vandaag aan de aanbodzijde ervaren, met als enige verschil dat de test ‘live’ is in plaats van gesimuleerd.

 

Graphique Edito 20.15

Als we de vergelijking verder doortrekken, zien we dat, na de Bankencrisis, bij het voeren van een monetair beleid meer rekening moest worden gehouden met financiële stabiliteit. De laatste jaren heeft dit geleid tot een aanpak die bekendstaat als ‘growth at risk‘ (GaR). Dit “komt overeen met de kans dat de toekomstige reële bbp-groei onder een vooraf bepaalde drempel zakt.”[2] Dit betekent dat de volledige verdeling van de toekomstige bbp-groei in overweging wordt genomen, in plaats van enkel de gemiddelde prognose. Macro-financiële kwetsbaarheden verhogen mogelijk de kans op zeer negatieve groei-episodes na een overdreven kredietgroei in vergelijking met het inkomen of het barsten van activabubbels. Hierdoor moeten beleidsmakers, in een GaR-kader, beoordelen of het gepast is om een enigszins tragere groei te aanvaarden indien die groei gepaard gaat met een aanzienlijk lager risico op zeer negatieve cijfers.

De pandemiecrisis dwingt bedrijven en beleidsmakers om deze denkwijze toe te passen op de organisatie van de aanbodzijde van onze economieën. Zeer lange wereldwijde waardeketens zijn misschien optimaal vanuit een kostenperspectief, waarbij de kostenreductie wordt gedeeld tussen het bedrijf en zijn klanten, maar kunnen operationeel gezien zeer complex en vooral broos zijn. Dit werd duidelijk aangetoond toen China in lockdown ging. Je zou uiteraard kunnen stellen dat een pandemie slechts zelden voorkomt, maar een verstoring van het aanbod kan zich ook om andere redenen voordoen, zoals klimaatgebeurtenissen (droogte, overstroming enz.) of cyberaanvallen. De economische impact zou dan weliswaar veel kleiner zijn – in die gevallen is er geen lockdown waardoor de vraag veel minder klappen krijgt – maar dat betekent niet dat het risico verwaarloosbaar is.

Een veerkrachtigere aanbodzijde heeft een kostprijs, zowel op micro- als op macroniveau. Een bepaald product kan meer kosten of minder rendabel worden. Alles samen kan dit op de productiviteitsgroei wegen. Het juiste evenwicht vinden in een markteconomie is moeilijk aangezien de besluitvorming gedecentraliseerd is. Ze hangt onder meer af van de prijselasticiteit van de vraag maar ook van de voorkeur van bedrijven en hun aandeelhouders voor winst of voor winst die door een beperkt neerwaarts risico wordt beheerst. In de zoektocht naar dit nieuwe evenwicht is er ongetwijfeld een rol weggelegd voor overheidsbeleid, hoewel de omvang, de aanpak en in het bijzonder de juiste balans nog moeten worden bepaald.

[1] Stress testing of banks: an introduction, Bank of England Quarterly Bulletin, 2016 Q3

[2] Growth at Risk: Concept and Application in IMF Country Surveillance, IMF working paper 19/36, Februari 2019