In een recente toespraak voor de Economic Club of New York schetste vicevoorzitter Richard Clarida van de Federal Reserve (de Fed) een positief beeld van de Amerikaanse economie. De vier afgelopen kwartalen bedroeg de gemiddelde reële bbp-groei 3,2%, terwijl de werkloosheid met 3,6% rond het laagste peil in 50 jaar ligt en er elke maand nog altijd een pak nieuwe banen bijkomt. Het monetairbeleidscomité van de Fed gaat daarom in zijn prognoses uit van zowat 2% groei in de drie komende jaren. Alles lijkt dus rozengeur en maneschijn.

Is dat zo? De Amerikaanse beleggers, die in mei de tienjaarsrente en Wall Street fors lager stuurden, zenden een heel ander signaal uit. De verklaring voor die tegenstelling is dat Clarida het over het verleden had, terwijl de markten – die de recente prestaties van de Amerikaanse economie al in de koersen verrekend hebben – vooruitblikken. En het koersverloop van aandelen, obligaties en andere effecten wordt nu eenmaal vooral bepaald door de verwachtingen voor de toekomst.

De daling van de aandelenmarkt en de vlucht naar veilige waarden, zoals staatsobligaties, kunnen worden gezien als het gevolg van een neerwaartse bijstelling van de groeiverwachtingen, een gewijzigde inschatting van hoe waarschijnlijk de verschillende scenario’s zijn (in welk geval de toegenomen risicoaversie bij beleggers erop wijst dat zij het negatiefste scenario vandaag wat minder onwaarschijnlijk achten) of gewoon een afname van het vertrouwen in de prognoses.

Elk van die interpretaties leidt tot dezelfde conclusie: de economische vooruitzichten zijn minder goed dan in het verleden. Aan verklaringen geen gebrek: een vertraagde reactie op de monetaire verkrapping en de stijging van de effectieve wisselkoers van de dollar, de economische vertraging in de rest van de wereld, het wegebbende effect van de begrotingsstimulansen uit 2018, de oplopende handelsspanningen. Die laatste factor schoof James Bullard van de Federal Reserve van St. Louis onlangs naar voren: de Amerikaanse economie vertraagt en zou, aangezien de onzekerheid voor de wereldhandel is toegenomen, wel eens meer kunnen verzwakken dan gedacht. Aangezien de inflatie en de inflatieverwachtingen bij beleggers nog altijd onder het streefdoel van de centrale bank liggen, pleitte hij voor een verlaging van de richtrente.

Clarida ging minder ver, maar stipte twee factoren aan die de Fed ertoe kunnen bewegen om in te grijpen: een aanhoudend lagere inflatie dan beoogd en het aanzienlijke risico dat bepaalde ontwikkelingen in de wereldeconomie en op de financiële markten voor het basisscenario van de Federal Reserve inhouden. Ironisch genoeg zou een verlaging van de beleidsrente die (deels) voortvloeit uit de tegenwind van het handelsconflict tussen China en de Verenigde Staten, tegemoetkomen aan de verzuchtingen van president Trump, die afgelopen maand liet verstaan dat de Federal Reserve zou kunnen helpen om de ‘handelsoorlog’ te winnen door de rente te verlagen.

De hamvraag voor de economie en de markten blijft echter hoe doeltreffend een soepeler monetair beleid zou zijn. In de driehoeksrelatie tussen rente, groeivooruitzichten en risicoaversie wakkert een renteverlaging doorgaans de groeiverwachtingen en de risicobereidheid aan, waardoor het vertrouwen bij bedrijven en beleggers weer toeneemt. Als de marge om de rente te verlagen relatief beperkt is, zoals vandaag, bestaat de kans dat dit effect minder speelt. Bovendien kunnen andere bronnen van grote onzekerheid de uitwerking van het monetaire beleid ondergraven of zelfs helemaal tenietdoen.

Helaas is dat allesbehalve een theoretisch scenario nu handelsspanningen hoog oplopen en recent verder escaleerden. Daardoor is het gunstige effect van klassieke fundamentele factoren, zoals de ontwikkeling van het besteedbare inkomen, de bedrijfswinsten, de reële rente, de beschikbaarheid van financiering enz., minstens deels geneutraliseerd. Als de confrontatie tussen de Verenigde Staten en China voortduurt, dreigt de hierdoor ontstane tegenwind die factoren om te draaien en kunnen toenemende werkloosheid of lagere bedrijfswinsten uiteindelijk op de eindvraag beginnen te wegen. Gezien de per saldo beperkte marge om de rente te verlagen, wordt het echter een moeilijke opgave om zowel de hoge onzekerheid over de handel als de broze fundamentele factoren aan te pakken.