2018 begon onder een goed gesternte, maar eindigde in een nevel van onzekerheid. Aan het begin van het jaar vroegen we ons af of het eigenlijk wel nog beter kon. De cijfers van de peilingen uit de eurozone wezen immers op een bijna uitgelaten sfeer. Aan het einde van het jaar was de vraag echter veeleer welke factoren het sentiment eigenlijk nog een impuls konden geven: als zelfs milde taal van de Federal Reserve na de vergadering in december Wall Street in het rood duwde, waren beleggers duidelijk bevangen door vrees voor de groei. In die context brengt zelfs minder bezorgdheid over nieuwe renteverhogingen geen soelaas. Sentiment wijzigt doorgaans slechts geleidelijk. Dat betekent dat de term ‘onzekerheid’ zeker bij het begin van 2019 vaak zal vallen als we de economische omgeving willen omschrijven.

Onzekerheid heeft veel oorzaken. Een aantal daarvan zijn het onvermijdelijke gevolg van de fase in de bedrijfscyclus die we in de VS hebben bereikt. In 2019 zouden we het vorige record voor de duur van een opleving dat uit de periode van de regering-Clinton dateert, moeten verbreken. Groeifases sterven niet door ouderdom, maar ze verzwakken wel naarmate ze ouder worden: er kunnen onevenwichtigheden ontstaan (denken we maar aan overdreven hoge waarderingen van bepaalde beleggingsklassen) en de onzekerheid neemt doorgaans toe omdat zowel bedrijven als beleggers beducht zijn voor het moment dat de groei echt vertraagt. Doordat bedrijfsleiders en beleggers risico’s gaan mijden wordt de vrees voor een vertraging in feite een zelfvoedende dynamiek.

De hoge onzekerheid hebben we ook deels aan onszelf te wijten. Ze vloeit immers voort uit politieke beslissingen (zoals de keuzes in de aanpak van de gevolgen van het brexitreferendum) of uit beleidsbeslissingen (zoals de Amerikaanse regering die het handelstekort met China tracht te verkleinen of de Italiaanse regering die beslist om een begroting met een hoger beoogd tekort voor te leggen). Op al die fronten klaarde de hemel recent wat op. Tijdens de G20-vergadering in Argentinië kwam het tot een wapenstilstand tussen de VS en China. Ook tussen Rome en Brussel was er minder het wapengekletter rond de Italiaanse begroting voor 2019. De beslissing van het Europese Hof van Justitie dat het VK unilateraal kan beslissen om in de EU te blijven en het feit dat het Britse Parlement na een recente stemming in het Lagerhuis zijn standpunten (niet-bindend) kenbaar kan maken door de brexitplannen van de regering te amenderen, voedden de hoop dat een harde brexit zonder overeenkomst nog kan worden vermeden. De veertien noodvoorstellen (tijdelijke maatregelen) van de Europese Commissie om de gevolgen van een eventuele harde brexit te verzachten, zijn echter een duidelijk teken aan de wand dat we ons op alle mogelijke uitkomsten moeten voorbereiden.

In het licht van de bezorgdheid over de brexit en de vrees voor een handelsoorlog is het sentiment in de export de afgelopen maanden vanzelfsprekend aanzienlijk verzwakt. Dit is een wereldwijd fenomeen dat ook gelinkt is aan de tragere wereldwijde groei en de zwakkere cyclus van de bedrijfsinvesteringen. Investeringsuitgaven zijn niet alleen erg conjunctuurgevoelig, ze zijn ook bepalend voor de import omdat veel kapitaalgoederen worden ingevoerd. Het volstaat niet dat de handelsgeschillen gaan liggen wat op zich natuurlijk goed nieuws zou zijn omdat de onzekerheid hierdoor zou wegebben. Ook de manier waarop dit gebeurt, is voor de wereldhandel van belang. In welke mate zou het de wereldwijde waardeketen en dus de inkoop van intermediaire goederen wijzigen? Bilaterale onderhandelingen kunnen een bedreiging voor ‘onschuldige omstanders’ zijn omdat ze tot omwegen in de handel kunnen leiden: land A belooft om meer te importeren uit land B en beperkt daardoor zijn import uit land C om zijn export naar land B te beschermen.

Kortom, 2019 lijkt een jaar te worden van verhoogde onzekerheid die een rem op de groei zet. Te veel aandacht voor de vele onzekerheden houdt echter het gevaar in dat we onvoldoende rekening gaan houden met de sterkte van de aanjagers van de groei (toenemende werkgelegenheid en dus hogere beschikbare inkomens, hogere bedrijfswinsten, lage reële rentes, gemakkelijke toegang tot financiering) en met een waarschijnlijk boventrendmatige groei (VS) of een groei dicht bij het potentieel (eurozone) ook al vertraagt de groei per saldo. Blijft echter de vraag of de bedrijven bij de planning van hun investeringen evenals de marktpartijen vooral zullen focussen op het niveau van of de wijziging in de groei. Het niveau blijft immers bevredigend, terwijl de wijziging negatief is. Neemt de onzekerheid af, dan zullen ze wellicht meer aandacht hebben voor de feitelijke groei dan voor wijzigingen in die groei. We weten alvast wat we moeten wensen.