Zoals alles wat op een compromis is gebaseerd, is het akkoord over de Europese herstelinspanning dat deze week binnen de Europese Raad werd bereikt, niet perfect. Zij die bekommerd zijn over moreel risico, zullen de aan de leningen verbonden voorwaardelijkheid wellicht te gering vinden. Anderen zullen opmerken dat, enerzijds, bepaalde landen kortingen hebben gekregen op hun bijdrage aan de EU-begroting terwijl, anderzijds, beschikbare bedragen voor innovatie en groene transitie binnen het Meerjarig Financieel Kader, de EU-begroting voor 2021-2027, werden verminderd. Tot slot zal er ook frustratie zijn over het feit dat de 500 miljard euro subsidies in het oorspronkelijke voorstel van de Raad werden teruggeschroefd naar 390 miljard euro.

Toch is het akkoord werkelijk historisch en van dezelfde orde als andere gedenkwaardige gebeurtenissen sinds de start van de euro zoals de ‘whatever it takes speech’ van Mario Draghi in 2012 op het hoogtepunt van de soevereine schuldencrisis in de eurozone of de lancering van het Pandemic Emergency Purchase Programme van de ECB dat zodanig is gestructureerd dat het niet gebonden is door de restricties van de kapitaalverdeelsleutel van het ‘normale’ activa-aankoopprogramma. In beide gevallen waren de beslissingen monetair van aard. Nu wordt op het gebied van budgettair beleid eindelijk een grote stap voorwaarts gezet. Dit was nodig aangezien met de huidige zeer lage tot negatieve rentevoeten en met de kwantitatieve versoepeling in volle gang er grenzen zitten aan wat een monetair beleid kan doen. Vandaar de talloze oproepen van ECB-functionarissen aan regeringen de laatste jaren om actie te ondernemen. De urgentie is duidelijk, gezien de economische kosten van de pandemie, vooral in economisch minder veerkrachtige landen. Zoals uitgelegd door de Commissie op de presentatie van het plan eind mei, zou niets doen de verschillen tussen landen vergroten en uiteindelijk wegen op de werking van de interne markt. Om die reden reikt de horizon veel verder dan een simpele cyclische stimulans en het initiatief wordt passend Next Generation EU genoemd.

Schéma édito 20.29

Het akkoord is historisch om vele redenen. Het werd snel bereikt. Het voorstel van Macron en Merkel van 500 miljard euro, dat het concept van subsidies introduceerde, werd namelijk pas op 18 mei geformuleerd en het eerste voorstel van de Europese Commissie eind mei. Amper twee maanden zijn sindsdien verstreken. De beslissing om subsidies te verstrekken, leek slechts enkele maanden geleden nog volledig ondenkbaar en hetzelfde geldt voor de uitgifte van schuld op EU-niveau. Het herinnert ons eraan om nooit ‘nooit’ te zeggen. Niet enkel bleek het mogelijk om schuld samen uit te geven, maar het aanslepende probleem van solidariteit versus moreel risico werd ook succesvol aangepakt. We moeten ook stoppen met het iets eenmaligs te noemen. Toegegeven, COVID-19 heeft een unieke situatie gecreëerd, maar er werd een precedent geschapen en dit zou positief moeten worden onthaald. Het versterkt de beleidsflexibiliteit mocht de EU, op een gegeven moment, opnieuw met een grote economische crisis te kampen hebben. Voor de landen van de eurozone betekent dit dat een crisis bestrijden niet langer de exclusieve opdracht is van de ECB – naast uiteraard nationale beleidsreacties – maar dat ook een beroep kan worden gedaan op een budgettair beleid voor de hele EU. De mogelijkheid, om niet te zeggen aannemelijkheid, van een dergelijke tweeledige aanpak vermindert het economische staartrisico, wat het vertrouwen van gezinnen, bedrijven en beleggers structureel zou moeten ondersteunen. De euro is onlangs, niet zonder reden, versterkt tegenover de dollar. Op kortere termijn zou het vooruitzicht van de 750 miljard euro die in de komende drie jaar wordt uitgerold, ook het vertrouwen moeten ondersteunen, en zo de doeltreffendheid van de monetaire beleidspositie van de ECB verhogen. Daarom is de gerichte toekenning van subsidies aan landen die daaraan meer behoefte hebben nog een historische prestatie en zou een groter multiplicatoreffect moeten genereren.

Een ander positief gevolg is de toegenomen focus van het beleidstoezicht op EU-niveau op structurele onderwerpen. Landen die subsidies en goedkope leningen vragen, zullen hun ‘herstel- en veerkrachtplannen’ moeten voorstellen en, voor de uitbetaling van extra schijven, toelichten hoe ze hebben gescoord tegenover de mijlpalen. Criteria voor de beoordeling door de Commissie zullen zijn “de coherentie met de landspecifieke aanbevelingen, evenals het versterken van groeipotentieel, jobcreatie en economische en sociale veerkracht van de lidstaat moeten de hoogste score van de beoordeling krijgen. Een doeltreffende bijdrage aan de groene en digitale transitie is ook een vereiste voor een positieve beoordeling.”[1] Dit betekent dat het toezicht van de Europese Commissie en de discussie binnen de Europese Raad, die op voorstel van de Commissie de beoordeling van de herstel- en veerkrachtplannen moet goedkeuren met een gekwalificeerde meerderheid, een duidelijk structurele beleidsdimensie heeft. Een laatste voorbeeld van de verreikende aard van het akkoord van deze week is de vereiste om eigen middelen voor de EU te genereren om het deel van de schuld dat voor de subsidies wordt gebruikt terug te betalen[2]. Het document van de Raad vermeldt in dit kader nieuwe eigen middelen op basis van niet-gerecycled plastic afval, een belastingmechanisme voor koolstofcorrectie aan de grens, een digitale heffing, een herzien Emissiehandelssysteem en mogelijk een financiële transactietaks. Hoewel nog moet blijken welke eigen middelen zullen worden gecreëerd en voor welk bedrag, zal de noodzaak om dit te doen de agenda van de EU beïnvloeden, wat een positief neveneffect is van het akkoord.

[1] Bron: Buitengewone Europese Raad (17, 18, 19, 20 en 21 juli 2020) – Conclusies.

[2] Het deel van de EU-schuld gebruikt om leningen te verstrekken, wordt uiteraard vergoed wanneer de individuele landen hun leningen terugbetalen.