De afgelopen maanden is zowel de kerninflatie als de totale inflatie gestegen. Het FOMC meldde na afloop van zijn vergadering vorige week dan ook dat “gemeten over 12 maanden zowel de totale inflatie als de inflatie exclusief voedsel- en energieprijzen de 2 procent nadert.” De opdracht lijkt dus volbracht. Normaal gesproken zou dat nieuws beleggers doen anticiperen op een snellere verkrapping van het beleid om te voorkomen dat de inflatie blijft oplopen. Dat gevaar weerde het FOMC af door te benadrukken dat “de verwachting is dat de inflatie op jaarbasis op middellange termijn dicht bij de symmetrische doelstelling van 2 procent blijft”. Daarmee gaf het een dubbele boodschap. Ten eerste dat het denkt dat de inflatie niet al te sterk zal stijgen. Uit de grafiek blijkt dat de kerninflatie sinds 2000 binnen een bandbreedte van 1% tot 2,5% schommelt. Aangezien ze op het hoogtepunt van de vorige cyclus iets minder dan 2,5% bedroeg, is de verleiding groot om de kans dat ze door die grens breekt, gering te achten. Het geloof dat de inflatie niet al te sterk zal versnellen, sluit aan bij het signaal dat uitging van de economische prognoses van de FOMC-leden in maart: hoewel de werkloosheid ver onder de langetermijnprognose ligt, is de verwachting dat de inflatie rond de 2,0% blijft. Ten tweede maakte het FOMC vooral duidelijk dat het inflatiedoel ‘symmetrisch’ is. Om daar geen twijfel over te laten bestaan luidde de verklaring dat “het comité nauwlettend zal toezien op de ontwikkeling van de reële en verwachte inflatie in verhouding tot het symmetrische inflatiedoel.” Die verwijzing naar ‘symmetrie’ roept herinneringen op aan een opmerking van Fed-voorzitter Jerome Powell tijdens zijn persconferentie na de vergadering in maart.

United States Inflation

Een centrale bank die een asymmetrisch doel nastreeft, probeert de inflatie naar de doelstelling te laten evolueren, maar voorkomt dat ze die overschrijdt. Beleggers kunnen dan gaan verwachten dat de centrale bank vrij snel zal reageren als de inflatie stijgt. Door daarop te anticiperen, kunnen zij een voortijdige verkrapping van de financiële omstandigheden in de hand werken, met als risico dat het inflatiedoel nooit wordt bereikt. Een symmetrische doelstelling, waarbij overschrijding van het inflatiedoel tot op zekere hoogte wordt gedoogd, laat toe om het beleid langer soepel te houden, wat de kans vergroot dat het doel wordt gehaald. In zekere zin is het echter louter uitstel van executie, want beleggers zullen zich beginnen af te vragen waar de echte grens ligt. Het leidt er ook toe dat de gevoeligheid voor hogere inflatiecijfers dan verwacht toeneemt wanneer de inflatie al boven de beoogde 2% ligt en beleggers beginnen te speculeren op een agressievere verkrapping. Die grotere gevoeligheid voor verrassende inflatiecijfers heeft vooral gevolgen voor de financiële markten en niet zozeer voor de reële economie, maar een forse reactie van de centrale bank op een al te sterke overschrijding van het doel zou beide even hard treffen.