Verwachten deelnemers aan financiële markten te veel van de ‘herziening van monetair beleid, strategie, instrumenten en communicatiepraktijken’ van de Federal Reserve, in het kort, de strategieherziening? Gezien de omvang van de inspanning die een heel jaar in beslag zal nemen, is het normaal dat ze op enkele grote aankondigingen rekenen, die verandering brengen in de manier waarop het monetair beleid wordt gevoerd, bv. door het inflatiedoel te wijzigen.

De FOMC-notulen die deze week werden gepubliceerd, herinneren ons aan de complexiteit van de opdracht. Denk maar aan de kwestie van een doelzone voor inflatie, die in de vergadering van januari is besproken. In theorie lijkt dit eenvoudig. In plaats van een precies streefcijfer voor inflatie (2%) te hebben, zou een zone een zekere flexibiliteit bieden: iets eronder of erboven zitten zou niet problematisch zijn. Verwachtingen dat het beleid wordt versoepeld of verstrakt zodra de inflatie van het doel afdwaalt, zouden dus worden getemperd. Maar zo verschuift het communicatieprobleem duidelijk gewoon van een specifiek doel naar de breedte van de doelzone.

De briefing van de Fed-medewerkers had het trouwens niet over één maar over drie zones. Gezien de inflatievariabiliteit is er een onzekerheidszone. Binnen die zone zou door de ruis in de inflatiemeting geen actie vereist zijn. Er is ook een operationele zone: het FOMC zou, in bepaalde omstandigheden, kunnen verkiezen om zich boven zijn doel voor de langere termijn te bevinden, bv. om een periode met zeer lage inflatie in het verleden te compenseren. Tot slot is er een indifferentiezone, waarbij inflatieafwijkingen van het doel niet tot een beleidsreactie zouden leiden. Aangezien de drie zones naast elkaar zouden kunnen bestaan, ziet iedereen onmiddellijk de uitdagingen die zich stellen om over de monetaire beleidskoers te communiceren. Om die reden “wezen sommige deelnemers erop dat het niet duidelijk was of de invoering van een zone veel zou helpen om de inflatiedoelstelling van het Comité te bereiken. Ze merkten op dat door de invoering van een zone die doelstelling minder duidelijk zou kunnen zijn voor het publiek.”[1]

inflation target rangeIndien de centrale bank niettemin voor een doelzone zou kiezen, zou dat nog andere problemen stellen. Een symmetrische zone invoeren wanneer de inflatie zich onder de doelstelling bevindt “zou verkeerd kunnen worden geïnterpreteerd als een teken dat de centrale bank niet bezorgd is om een inflatie die onder haar vastgestelde doel blijft, een situatie die zou kunnen leiden tot inflatieverwachtingen die naar de ondergrens van de zone afglijden.” Om dat probleem aan te pakken, hebben enkele deelnemers aan de FOMC-vergadering het idee geopperd van een asymmetrische operationele zone voor een periode, met 2% op of dicht bij de ondergrens. Nog meer dan bij een symmetrische zone rond 2% zou een dergelijke benadering verwachtingen creëren dat de huidige Federal Funds Rate veel langer zou worden aangehouden, gezien de tijd dat het de inflatie, die om te beginnen onder 2% zit, zou vergen om boven de bovengrens van de zone uit te stijgen. Het zou de situatie alleen maar ingewikkelder maken: wanneer en op welke basis zou de centrale bank beslissen om van een asymmetrische zone terug te schakelen naar een symmetrische zone? Wanneer een dergelijk omslagpunt dichterbij komt, beginnen obligatierendementen te stijgen omdat een verhoging van de beleidsrente wordt verwacht, wat op zijn beurt kan leiden tot marktvolatiliteit met mogelijk schadelijke gevolgen voor de economie. In de voorbije 30 jaar was de rode draad van inflatiedoelstellingen, forward guidance, publicatie van notulen van vergaderingen en persconferenties om monetaire beleidsbeslissingen gemakkelijker te kunnen interpreteren. Op die manier komen marktverwachtingen, zoals weerspiegeld in de rentecurve, beter overeen met waar de centrale bank naar streeft. Dat systeem beperkt de veranderingen die aan de doelstellingen van de centrale bank kunnen worden aangebracht en de communicatie die daarmee gepaard gaat. Een beetje tweaken lijkt dus waarschijnlijker dan een grote hervorming.

[1] Bron: Federal Reserve Board, notulen van het Federal Open Market Committee, 28–29 januari 2020