Op 20 januari dit jaar kostte een vat Brent 27,88 USD (omgerekend 25,52 EUR), zijn dieptepunt voor het lopende jaar. Heel onlangs bereikte die prijs de symbolische drempel van 50 USD (44,7 EUR). Zoals in 2015 is gebleken, is het nog moeilijker om de trend van olie te voorspellen dan die van andere economische variabelen. Daarom kunnen we beter even stilstaan bij de mogelijke gevolgen van een stijgende olieprijs.

Vooralsnog werd die stijging goed onthaald door beleggers. In het verleden stelden we al vast dat er een positieve correlatie bestaat tussen de schommelingen van de olieprijs en die van de beurskoersen, een correlatie die versterkt naarmate de olieprijs daalt. Toen de olieprijs recent steeg, bleef die correlatie positief wat op een grote reactiviteit van de beurzen wijst. Dat de prijs stijgt, is immers niet alleen het gevolg van een toegenomen belangstelling voor de energiesector, maar algemener ook van een herbeoordeling van de economische vooruitzichten voor olieproducerende landen: de stijging van de olieprijs maakt extreem negatieve scenario’s met besmetting naar andere landen inderdaad minder waarschijnlijk.

In het licht van de aanzienlijke stijging van de olieprijs vergeleken met het dieptepunt van januari, moeten we ons echter afvragen hoe analyses die de nadruk leggen op de negatieve aspecten van die stijging het sentiment zullen beïnvloeden. Zo heeft een analyse van de correlatie tussen olie en de beurs al aangetoond dat de correlatie willekeurig wordt als de prijs door de drempel van 75 USD/vat breekt. Voor alle duidelijkheid: in de huidige omgeving lijkt een dergelijk prijsniveau onrealistisch, alleen al omdat het aanbod van schalieolie in de VS dan aanzienlijk zou toenemen wat op zijn beurt de prijsstijging zou beteugelen. Toch herinnert de correlatiedynamiek er ons aan dat eventuele toekomstige stijgingen van het zwarte goud waarschijnlijk minder gunstig worden onthaald.

Eén van de factoren die hierin meespelen is de impact op de inflatie en het beleid van de centrale banken. In de eurozone stijgt de algemene inflatie volgens ons met 0,4 procentpunt telkens als de prijs per vat met 10 USD omhooggaat. De al opgetekende stijging zou kunnen uitmonden in stabiliserende inflatieverwachtingen en debatten over de eventuele gevolgen voor de onderliggende inflatie (een impact die a priori erg zwak zou moeten zijn) of zelfs in een sentiment dat de ECB mogelijk geen extra maatregelen meer treft. Een eventuele verwachting van een status quo in het monetaire beleid zou vervolgens de langetermijnrente en de euro omhoog kunnen duwen, onder voor het overige gelijke omstandigheden.

In het licht van de evolutie van de olieprijs lijkt een stijging van de algemene inflatie onvermijdelijk. Voor 2016 verwachten wij een algemene inflatie (inclusief energieprijzen) in de eurozone van 0,0%, voor 2017 mikken we op 1,3%. Voor de onderliggende inflatie is dat resp. 0,8% en 0,9%. Zelfs met een arbeidsmarkt die wellicht blijft verbeteren, zouden de lonen minder stijgen dan de algemene inflatie. De reële lonen zouden dus minder sterk groeien dan in 2015 en 2016 toen de lage olieprijs nog steun bood. Dat zou ook een domper op de groei van de consumptie zetten. Daar komt nog bij dat die prijsstijging een impact heeft op de import van olie (waardestijging) en dus op de handelsbalans en de groei.

Kortom, de opleving van de olieprijs mag dan al welkom zijn omdat een aantal erg ongunstige scenario’s hierdoor geen kans krijgen, maar we mogen zeker niet vergeten dat er ook een keerzijde aan de medaille zit.

William De Vijlder

Directeur Economisch Onderzoek van BNP Paribas