In welke mate gaat de economische auto trager rijden als we vol op de budgettaire rem staan? Dit debat sleept al jaren voort en is vandaag weer brandend actueel door de nieuwe overeenkomst tussen Griekenland en zijn geldschieters. Eén van de voorwaarden in die overeenkomst is immers een aanzienlijke verschuiving in de Griekse primaire balans (d.w.z. het overheidsbudget zonder rentelasten) van een tekort van circa 1% van het bbp naar een overschot van 3,5% tegen 2018 (cijfers Europese Commissie)

Onderstaande grafiek toont het verband tussen de cumulatieve wijziging in de primaire balans en die in het reële bbp voor de landen van de eurozone. De laatste genoemde wordt op de verticale as weergegeven als de verhouding tussen het reële bbp van 2015 (op basis van voorspellingen van het IMF) en zijn niveau in 2008. Een cijfer boven 1 impliceert dat de groei gemiddeld positief is geweest, maar toont niet het verloop van het bbp over die periode. De horizontale as toont de primaire balans, of beter gezegd de cumulatieve wijziging in de voor de cyclus gecorrigeerde primaire balans sinds het jaar waarin het dieptepunt werd bereikt (dus het jaar waarin het tekort piekte) en 2015 (op basis van de voorspellingen van het IMF). Dat cijfer is voor alle landen positief wat erop wijst dat de primaire balans verbeterde. Door gebruik te maken van de voor de cyclus gecorrigeerde balans krijgen we een beeld van de beleidsmatige inspanningen van de regeringen om hun begrotingstekort terug te dringen.

Graph24072015

Uit die grafiek kunnen we meerdere zaken opmaken:

  1. Eén voorbehoud: het aantal observaties is vrij beperkt wat de kwaliteit van de regressie beïnvloedt. Bovendien kunnen we ons afvragen of Griekenland niet als een geval apart moet worden behandeld (dat zou een effect hebben op de helling van de regressielijn)
  2. Het snijpunt van de regressielijn met de verticale as toont dat de cumulatieve bbp-groei sinds 2008 zonder enige wijziging in de voor de cyclus gecorrigeerde primaire balans 5,6% zou zijn geweest.
  3. In veel landen bedroeg de cumulatieve aanpassingsinspanning minder dan 4% van het bbp, d.w.z. gemiddeld genomen een beperkte jaarlijkse inspanning (hoewel ieder jaar de bijkomende inspanning natuurlijk lastiger is).
  4. Het antwoord op de vraag of de begrotingsaanpassing op de groei drukt, lijkt duidelijk. Het coëfficiënt voor de wijziging in de voor de cyclus gecorrigeerde primaire balans en die in het bbp bedraagt 0,0104. Dat betekent dat een verbetering van de primaire balans van 1 procent van het bbp de cumulatieve bbp-groei met circa 1 procentpunt naar beneden haalt. De t-toets voor deze coëfficiënt is -2,77 wat vrij aanzienlijk is. De druk van de begrotingsaanpassing op de groei kan tijdelijk zelfs hoger uitvallen aangezien er in de periode van deze grafiek gemiddelden worden gebruikt. Dit resultaat betekent echter niet dat begrotingsdiscipline moet worden vermeden. Wat dit wel suggereert, is dat het belangrijk is om het negatieve effect op de groei in aanmerking te nemen bij de uitstippeling van een budgettair, monetair en zelfs structureel beleid.